Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening parkeerbelastingen 2020

De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, en als vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel onder I.1 e. t/m h. en I.2, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, en als vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel onder I.1 e. t/m h. en I.2 overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, en als vermeld in de bij deze verordening behorende tarieventabel onder I.1 a. t/m d., moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij het beëindigen van het parkeren en voor het verlaten van de locatie, waar parkeren tegen betaling is toegestaan. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel