1. Een jeugdige of ouder kan binnen de kaders van de Jeugdwet en deze verordening in aanmerking komen voor een individuele voorziening wanneer door het college of een andere wettelijke verwijzer is vastgesteld dat:
a. inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag;
b. de jeugdige op eigen kracht, of met inzet van zijn ouders, andere personen uit het eigen netwerk, vrijwilligers of gebruikelijke zorg, geen passende oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag;
c. algemene, voorliggende of voorzieningen in de betreffende situatie niet voldoende blijken.
2. De buurt waar de jeugdige of ouders woont, is leidend bij de toewijzing van een individuele voorziening door de verwijzer naar een buurtgerichte specialistisch team tenzij:
• de leefwereld of situatie van de jeugdige of ouders om andere inzet vraagt;
• de jeugdige of ouders hierin een andere wens heeft.
3. Indien de Medewerker van het buurtteam op basis van een gesprek met de jeugdige of zijn ouders vaststelt dat een individuele voorziening noodzakelijk is, dan bevestigt hij dit schriftelijk aan de jeugdige of ouder.
4. In de volgende gevallen verstrekt de Medewerker van het buurtteam namens het college altijd een beschikking:
a. bij verstrekking van een pgb;
b. bij weigering van een aanvraag voor een individuele voorziening;
c. bij een verzoek van de jeugdige of zijn ouders om een beschikking te ontvangen, binnen 6 weken na de datum van het gesprek waarin de aanvraag is gedaan.
5. Het college kan nadere regels stellen omtrent de verdere uitwerking van de criteria voor een individuele voorziening en de methodiek en procedure waarmee de noodzaak tot het bieden van een individuele voorziening wordt vastgesteld.
Hoofdstuk 2
Artikel 4
Toekenning van individuele voorzieningen
Onderdeel van Verordening Jeugdhulp 2020 gemeente Utrecht