1. Het pgb is nooit hoger dan dat de goedkoopste voorziening in natura zou kosten die past bij wat nodig is.
2. Het pgb is gebaseerd op een uurtarief of gemiddeld resultaattarief, er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten tarieven, dit zijn het instellingstarief, het zelfstandige zonder personeel (zzp)-tarief en het informeel tarief:
3. Het college legt normbedragen voor het pgb vast bij de verschillende zorgvormen in een Financieel besluit Jeugdhulp Utrecht. Daarbij geldt dat:
a. het instellingstarief is vastgesteld op basis van normatieve berekeningen, dat zijn toepasbare cao, plus opslagen, zoals bedoeld in de Algemene maatregelen van Bestuur (AmvB) reële prijzen;
b. het zzp tarief is gebaseerd op het instellingstarief minus 17% overheadkosten;
c. het informele tarief is gebaseerd op het tarief bij de Wet langdurige zorg voor niet-professionals. Het tarief voor kortdurend verblijf in het sociale netwerk is gebaseerd op het historisch tarief uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Het wettelijke minimum loon is de ondergrens.
4. Voor eerstegraads familieleden geldt het informele tarief, ook al is iemand werkzaam bij een erkende zorginstelling of is iemand een zelfstandige zonder personeel (als relevante hulpverlener), tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken.
5. Het tarief op basis waarvan het pgb is berekend blijft in stand zolang de toekenning geldig is. (Deze stijgt/verandert niet bij een aanpassing van het financieel besluit jeugdhulp.)
Hoofdstuk 3
Artikel 6
Hoe wordt de hoogte van een pgb – tarief bepaald?
Onderdeel van Verordening Jeugdhulp 2020 gemeente Utrecht