Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 is per 1 januari 2020 gewijzigd en bepaalt ook dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie - naar oordeel van het college - met een algemeen gebruikelijke zaak of dienst kan verminderen of wegnemen, dat er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden.
Ratio
Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een maatwerkvoorziening wordt verstrekt terwijl, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze zou (hebben kunnen) beschikken over een algemeen gebruikelijke zaak of dienst als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een zaak of dienst is voor de cliënt als aanvrager algemeen gebruikelijk als deze:
normaal in de handel verkrijgbaar is; en
niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en
niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en
naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt.
Het is ter beoordeling aan het college of er op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032, CRVB:2018:1250 en CRVB:2019:3205). Bij structurele kosten zoals de maaltijdservice of de boodschappendienst kan dat anders zijn. Het college beoordeelt dan of de dienst beschikbaar is, een passende oplossing biedt en financieel draagbaar is. Uit de jurisprudentie blijkt overigens wel dat deze kosten ook passend worden geacht voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB:2014:4276, CRVB:2017:1302, CRVB:2018:2182 en CRVB:2018:3093).
Beoordelingskader
De eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de zaak of dienst algemeen gebruikelijk is. De vraag onder punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de zaak of dienst voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het college beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een zaak of een dienst normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verstrekken van een maatwerkvoorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke zaak door een vergelijkbare persoon zonder beperkingen.
Niet al te strikt
Aan de andere kant wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde vragen door het college niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een elektrische fiets zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke zaak voor hem/haar kan zijn. Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb budget niet mag besteden aan een voor hem algemeen gebruikelijke zaak of dienst (zie art. 9.2, eerste lid, van de Verordening).
Vervanging
Het toepassen door het college van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke zaken worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als deze (technisch) zijn afgeschreven. Zie verder onder renovatie.
Renovatie
Renovatie heeft betrekking op roerende of onroerende zaken die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). In het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden de afschrijftermijnen van een aantal zaken genoemd. Voor personen met en zonder beperkingen geldt dat zaken na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Zaken (roerend of onroerend) die zijn afgeschreven kunnen algemeen gebruikelijk worden geacht. Voorbeelden zijn aanpassingen van badkamers (inclusief sanitair en kranen) of keukens. Omdat het bij een renovatie om relatief hoge kosten kan gaan, kan het inkomen van de cliënt een rol spelen bij de vraag of de aanpassing algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (CRVB:2019:3535).
Betaalbaarheid condensdroger
In CRVB:2005:AT8015 oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het kunnen beschikken over een condens droger, in de omstandigheden van belanghebbende, als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een condens droger niet een specifiek voor 'gehandicapten' ontwikkeld product is.
Een onverwachts optredende noodzaak
Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een zaak en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom deze voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Denk vooral aan plotseling opgetreden beperkingen en de cliënt om die reden niet had kunnen voorzien dat hij aangewezen zou zijn op een dergelijke zaak. Wat onder plotseling wordt verstaan is in ieder geval afhankelijk van de algemene levensduur van de betreffende zaak. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt vóór zijn ondersteuningsbehoefte een gewone fiets heeft aangeschaft en binnen de reguliere vervangingstermijn van die fiets aangewezen is op een elektrische fiets.
Meerkosten
Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een zaak die voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn:
Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel.
De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles.
Geveerde zijwielen aan een fiets.
Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar.
Privaatrechtelijke verbintenis
In het kader van de beoordeling door het college of de aanvraag gericht is op een algemeen gebruikelijke zaak, kan betekenis toekomen als er op grond van een privaatrechtelijke verbintenis aanspraak bestaat op het realiseren daarvan. Het college kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen of de eisen die in het algemeen aan een woning mogen worden gesteld (CRVB:2013:2509). Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is de aanvrager de eigenaar van de woning zal hij dat zelf moeten realiseren.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.3