De aflossingscapaciteit bij een lening als bedoeld in artikel 23 aanhef, onderdeel 1 en 3 wordt vastgesteld op:
5% van de op belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, bij een inkomen dat gelijk is aan deze toepasselijke bijstandsnorm, tenzij de beslagvrije voet door toepassing van dit percentage wordt overschreden;
5% van de op belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm vermeerderd met 50% van het meerinkomen bij een inkomen dat meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm, tenzij de beslagvrije voet door toepassing van dit percentage wordt overschreden.
De aflossingscapaciteit bij een lening als bedoeld in artikel 23 aanhef, onderdeel 2, wordt vastgesteld op 100% van het voor beslag vatbare deel van het inkomen.
Aflossing van de in lid 1 en 2 bedoelde leningen geschiedt maandelijks overeenkomstig de vastgestelde capaciteit.
Aflossing van de geldlening als bedoeld in artikel 23 aanhef onderdeel 4 geschiedt:
ineens bij verhuizing naar een andere woning, tenzij deze andere woning is gelegen in de gemeente Wierden en opnieuw een waarborgsom verschuldigd is.
bij uitstroom uit de bijstand, anders dan door verhuizing naar een andere gemeente, volgens de aflossingscapaciteit als bedoeld in artikel 25 lid 1.
Hoofdstuk 4 - Bijstand in de vorm van een geldlening
Artikel 25 - Hoogte van de aflossing