Het voor beslag vatbare deel van het inkomen vormt de maandelijkse aflossingscapaciteit van belanghebbende.
Als er spaartegoeden aanwezig zijn, worden deze aangewend voor (gedeeltelijke) aflossing ineens van de boete, ook als het betreft vermogen dat voor het recht op algemene bijstand buiten beschouwing wordt gelaten.
Als de aanwezige spaartegoeden niet toereikend zijn om de volledige vordering te voldoen, dan wordt het restant verrekend met de uitkering, met inachtneming van de beslagvrije voet. De aflossing van de vordering bestuurlijke boete gaat voor op de aflossing van de teruggevorderde uitkering.
Artikel 28 - Invordering bestuurlijke boete