Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6:

Artikel 10:

vrijlating

Onderdeel van Re-integratiebesluit Participatiewet Midden-Groningen 2020

De uitkeringsgerechtigde die arbeid verricht in deeltijd waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde bijstandsnorm komt in aanmerking voor vrijlating van inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder n en r van de Participatiewet en als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de IOAW en in artikel 8 derde lid van de IOAZ, indien het college heeft vastgesteld dat de uitkeringsgerechtigde binnen 3 maanden volledig in de bestaanskosten kan voorzien. In aanvulling op de wet, de IOAW, de IOAZ worden in de volgende gevallen de inkomsten uit arbeid niet vrijgelaten: indien de arbeid al aangevangen was op een datum gelegen voor de ingangsdatum van de bijstand; indien het geen algemeen geaccepteerde arbeid is; als de maximale termijn van vrijlating is verstreken; indien sprake is van inkomsten die door belanghebbende niet, niet volledig of niet tijdig zijn gemeld aan het college. De vrijlating is een individueel recht en geldt voor ieder van de gezinsleden vanaf 27 jaar. De vrijlating gaat in vanaf de eerste van de maand waarin voor het eerst inkomsten zijn verworven die recht geven op een vrijstelling. De bijstandsnorm is een maandnorm waardoor er een maand vrijlating is opgesoupeerd ook al is maar sprake van een paar dagen inkomsten in die maand. Er is geen sprake meer van een keuze voor een ingangsdatum van de vrijlating. Het moment waarop voor het eerst inkomsten zijn verworven die in aanmerking komen voor de vrijlating is bepalend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel