Het zich kunnen verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Er wordt gesproken over het verplaatsen in de eigen woon- en leefomgeving, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht.
Het collectief vervoersysteem heeft hierbij de prioriteit waardoor de keuze voor een persoonsgebonden budget beperkt kan worden, mits rekening wordt gehouden met de persoonskenmerken en de behoeften van de aanvrager. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Net als voor personen zonder beperkingen geldt dat men voor het vervoer een bijdrage dient te betalen, al dan niet in de vorm van een ritbijdrage.
Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft al 40 jaar een auto en is gewend daar alles mee te doen) zal er geen noodzaak zijn om ondersteuning op grond van de Wmo te bieden, omdat er geen probleem is of omdat men het zelf kan oplossen. Dat kan anders zijn indien door het optreden van de beperkingen sprake is van meerkosten wegens het zich lokaal moeten verplaatsen per vervoermiddel.
Afwegingskader
Om voor ondersteuning op maat in aanmerking te komen, beoordeelt de gemeente eerst of alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Dat kunnen ook fietsen in bijzondere uitvoering zijn, zoals fietsen met trapondersteuning en dergelijke, fietsen die algemeen gebruikelijk zijn.
Vervolgens zal de gemeente onderzoeken waar de vervoersbehoefte van belanghebbende uit bestaat.
Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal de gemeente beoordelen of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt de gemeente rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager/betrokkene.
Alleen wanneer de belanghebbende vanuit medische overwegingen niet in staat is om zonder begeleiding gebruik te maken van het collectief vervoer kan een indicatie voor (kosteloze) begeleiding worden afgegeven. De gemeente beoordeelt of er tijdens de rit daadwerkelijke sprake kan zijn van uit te voeren medische handelingen. Alleen op deze grond kan een indicatie voor medische begeleiding tijdens het collectief vervoer verstrekt worden. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een ondersteuningsbehoefte tijdens het vervoer zelf en niet op de plaats van bestemming. Wanneer betrokkene een indicatie voor begeleiding heeft dient er ook altijd een begeleider mee te reizen.
Met een systeem van collectief vervoer of met andere ondersteuning op maat dient tenminste een afstand van 1500 – 2000 kilometer per jaar te kunnen worden afgelegd. Indien daarvoor aanleiding is kan de gemeente dit aantal ophogen. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere verstrekte voorziening, zoals een scootmobiel, meegenomen worden hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers.
Bij personen met een zeer geringe loopafstand (+/- 100 meter), zal de gemeente beoordelen of een voorziening voor de zeer korte afstand noodzakelijk is.
Alleen indien collectief vervoer geen geschikte oplossing biedt voor de betrokkene, zal de gemeente beoordelen of andere ondersteuning op maat kan leiden tot maatschappelijke participatie.
Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt de gemeente of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen indien de inwoner aantoonbare meerkosten ondervindt als gevolg van de beperkingen zal de gemeente overwegen om de inwoner in aanmerking te brengen voor ondersteuning op maat . Of en in hoeverre er sprake is van meerkosten, zal beoordeeld worden aan de hand van de situatie waarin de inwoner verkeert, de beschikbare financiële middelen en het door de beperkingen extra per vervoermiddel te maken verplaatsingen.
Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die de aanvrager/betrokkene als voorziening in natura zou ontvangen uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag. Zou er in natura een voorziening vanuit het depot verstrekt worden, omdat er een geschikte voorziening aanwezig is, dan zal het bedrag van het persoonsgebonden budget op deze depotvoorziening gebaseerd worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de nog resterende afschrijvingsperiode bij het bepalen van de hoogte van het bedrag.
Bij het bepalen van de vervoersvoorziening kan rekening worden gehouden met de positie van mantelzorgers.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.2
Het zich kunnen verplaatsen per vervoermiddel in de eigen woon- en leefomgeving
Onderdeel van Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2020