1. Het college vordert in beginsel de vordering bruto van de belanghebbende terug.
2. Indien de vordering echter betrekking heeft op het lopende kalenderjaar én de belanghebbende de vordering
voldoet vóór het einde van het kalenderjaar, kan de belanghebbende volstaan met een netto betaling van de
vordering. Bij uitblijven van volledige voldoening van de vordering vóór het einde van het kalenderjaar, wordt
het restant van de vordering alsnog gebruteerd.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 1, onder d, ziet het college af van brutering, indien sprake is van
een vordering, die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat
de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.
4. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 1, onder d, ziet het college eveneens af van (gedeeltelijke)
brutering, indien sprake is van een vordering, waarvan het besluit daartoe te lang op zich heeft laten wachten
met als gevolg dat de (gedeeltelijke) betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop
deze betrekking heeft.
Hoofdstuk 1:
Artikel 5