Artikel 2 lid 1 sub a van de Verordening luidt dat een voorziening slechts kan worden toegekend voor zover de noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is. Voorzieningen dienen dus langdurig noodzakelijk te zijn. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de belanghebbende voor langere tijd aangewezen dient te zijn op de voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze beperkingen van voorbijgaande aard zijn, niet voor een voorziening in het kader van de Verordening in aanmerking komt.
Een uitzondering hierop kan gelden bij de voorziening hulp bij het huishouden. Deze voorziening zou immers ook in tijdelijke situaties kunnen worden toegekend.
Indien nodig kan de belanghebbende voor hulpmiddelen voor een maximale periode van 6 maanden (3 maanden met verlenging van 3 maanden) een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de AWBZ.
Waar precies de grens ligt tussen langdurig en kortdurend zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de belanghebbende na enige tijd zonder de voorzieningen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand situaties van terugval opvolgen kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. Langdurig noodzakelijk geeft een dubbele afgrenzing. Enerzijds geeft het een afgrenzing in de tijd. Langdurig noodzakelijk staat dan tegenover kortdurend noodzakelijk. De andere afgrenzing geeft een noodzakelijkheid aan. De gevraagde voorzieningen dienen noodzakelijk te zijn, dus niet gewenst of gemakkelijk.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.3.1