Naar hoofdinhoud
Artikel 6 van de Wmo bepaalt in lid 1 het volgende: “Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.” Door deze bepaling zijn er in de Wmo drie vormen van verstrekking mogelijk om het resultaat dat bereikt moet worden, het compenseren van problemen die een belanghebbende ondervindt, te bereiken. De eerste mogelijkheid is de voorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt, die hij of zij kant en klaar krijgt. En met de voorziening die belanghebbende in natura krijgt moet het probleem voldoende gecompenseerd zijn. De tweede mogelijkheid is de in artikel 6 Wmo verplicht gestelde mogelijkheid een alternatief te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Na een wetswijziging die sinds 1 januari 2010 van kracht is, zijn er voor het persoonsgebonden budget als het gaat om hulp bij het huishouden twee mogelijkheden om dit in te vullen. De derde mogelijkheid van verstrekking is de financiële tegemoetkoming. Voorbeelden hiervan zijn de verhuiskostentegemoetkoming of de tegemoetkoming in de kosten voor een (rolstoel)taxi of voor het gebruik van een eigen auto. De belanghebbende heeft keuzevrijheid, tenzij hiertoe overwegende bezwaren bestaan. Ten behoeve van deze keuzevrijheid wordt de belanghebbende vooraf, zowel schriftelijk als mondeling door de uitvoeringsorganisatie uitgebreid ingelicht over de gevolgen van de diverse keuzes, zodat de belanghebbende een goede keuze kan maken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel