Naar hoofdinhoud
Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op grond van de Verordening wordt het criterium ‘goedkoopst compenserende voorziening’ gehanteerd, die geïndiceerd is en omschreven is in een programma van eisen. Niet altijd stemt de goedkoopst compenserende voorziening overeen met de wensen van de belanghebbende. Om toch aan die wensen van een belanghebbende tegemoet te kunnen komen, bestaat de mogelijkheid voor een persoonsgebonden budget. Deze mogelijkheid bestaat uitsluitend voor individuele voorzieningen en niet voor algemene en in beginsel ook niet voor collectieve voorzieningen. Een persoonsgebonden budget wordt uitsluitend verstrekt op verzoek van de belanghebbende. Dit kan de belanghebbende kenbaar maken bij het indienen van de aanvraag, maar ook gedurende de afhandeling van de aanvraag bestaat hiertoe de mogelijkheid. De uitvoeringsorganisatie bepaalt of een persoonsgebonden budget wordt toegekend of dat hiertegen overwegende bezwaren bestaan. In de parlementaire behandeling van de Wmo is immers aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn op de keuzevrijheid van de belanghebbende voor een persoonsgebonden budget. Met name wanneer er op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de belanghebbende problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget. Dit kan zijn wanneer een belanghebbende schuldhulpverlening heeft. Ook bij psychische problemen of sociaal-medische problemen kan verwacht worden dat het omgaan met een persoonsgebonden budget niet zal lukken. Daarnaast kan verstrekking als een persoonsgebonden budget geweigerd worden als de belanghebbende al eerder een persoonsgebonden budget heeft gekregen, welke is ingetrokken en/of teruggevorderd. Er kan echter tijdens onderzoek duidelijk worden dat de belanghebbende deze problemen met het omgaan met een persoonsgebonden budget niet meer zal hebben, bijvoorbeeld doordat iemand namens hem als budgethouder zal optreden. Naast deze uitzonderingen komt het voor dat bij een belanghebbende met een progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen korte tijd vervanging van de voorziening nodig is en wellicht daarna weer. Ook bij kinderen in de groei is regelmatige vervanging van een voorziening veelal noodzakelijk. Deze situaties lenen zich niet voor een persoonsgebonden budget, omdat het leidt tot kapitaalvernietiging. Verstrekking van een voorziening als een persoonsgebonden budget kan alleen plaatsvinden als de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt langdurig geschikt en passend is. Het langdurig geschikt en passend zijn is verbonden aan de afschrijvingsduur van een voorziening. Bij een rolstoelvoorziening valt hierbij te denken aan 7 jaar, bij een woonvoorziening zou de termijn langer kunnen zijn. Een verstrekking van een voorziening in natura heeft de voorkeur als de verwachting is dat een voorziening na enige tijd niet meer geschikt zal zijn voor de belanghebbende. Een voorziening die in natura is verstrekt en niet meer geschikt is voor de belanghebbende komt immers in een depot en kan herverstrekt worden. Ook kan bij de verstrekking gebruik gemaakt worden van het depot. De uitvoeringsorganisatie verstrekt bij hulp bij het huishouden een persoonsgebonden budget dat bepaald is aan de hand van de tarieven die van toepassing zijn bij zorg in natura. De uitvoeringsorganisatie biedt bij een persoonsgebonden budget voor de vergoeding van de zogenaamde alfahulp (artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964) belanghebbenden de mogelijkheid om de bemiddeling en de loonbetaling uit te besteden. De uitvoeringsorganisatie maakt bij een persoonsgebonden budget bij voorzieningen, niet zijnde hulp bij het huishouden, per toekenning een berekening. Uitgangspunt hierbij is de kostprijs van de voorziening als deze in natura zou worden verstrekt. De hoogte van een persoonsgebonden budget is gelijk aan de offerte van de goedkoopst compenserende voorziening die in natura verstrekt zou worden. Hierbij kan sprake zijn van kortingen, omdat de uitvoeringsorganisatie via een contract met de vaste leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afneemt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. De belanghebbende kan met het persoonsgebonden budget bij de vaste rolleverancier dezelfde korting krijgen die voor de uitvoeringsorganisatie geldt. De belanghebbende kan het persoonsgebonden budget gebruiken voor de door hem gewenste voorziening. Wel geldt daarbij de voorwaarde dat de met een persoonsgebonden budget aan te schaffen voorziening geschikt en passend moet zijn. Bovendien is het niet toegestaan om tweedehands voorzieningen aan te schaffen, aangezien de levensduur hiervan minder zal zijn. Verder moet de voorziening minimaal zijn voorzien van het CE-keurmerk. In de beschikking vermeldt de uitvoeringsorganisatie wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor wordt voorkomen dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden, een verkeerde voorziening wordt aangeschaft waarmee het beoogde resultaat niet bereikt kan worden. Indien niet of slechts gedeeltelijk is voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld aan de verlening van het persoonsgebonden budget of indien binnen 6 maanden na uitbetaling het persoonsgebonden budget niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden, wordt het besluit ingetrokken en kan tot terugvordering worden overgegaan. Bij verhuizing naar een andere gemeente zal bij een persoonsgebonden budget voor losse voorzieningen de nieuwe gemeente verzocht worden om het resterende deel van het persoonsgebonden budget, gebaseerd op de afschrijving, te vergoeden aan de uitvoeringsorganisatie. Indien hiertoe geen bereidheid is, moet het eigendomsrecht van de voorziening overgedragen worden aan de uitvoeringsorganisatie. Ook bij overlijden wordt een als persoonsgebonden budget verstrekte losse voorziening eigendom van de uitvoeringsorganisatie. De uitvoeringsorganisatie bepaalt vervolgens of deze voorziening in het depot geplaatst wordt en zal worden herverstrekt of dat verkoop aan bijvoorbeeld een leverancier aan de orde is. Vervanging, of de verstrekking van een nieuw persoonsgebonden budget, vindt uitsluitend plaats na afloop van de gehanteerde afschrijvingsduur en nadat uit een technische keuring blijkt dat vervanging noodzakelijk is. In de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 is steeds een paragraaf of zelfs een aantal paragrafen opgenomen over de mogelijkheden voor een persoonsgebonden budget bij de verschillende voorzieningen. Hierin is ook de omvang van het persoonsgebonden budget (de tegenwaarde) vastgelegd en de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld. Ook wordt aangegeven hoe de controle van het persoonsgebonden budget plaatsvindt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel