Indien er aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimten aanwezig zijn waar geen persoon met beperkingen in woont, zijn er twee situaties denkbaar. Ofwel de woning staat leeg of de woning wordt nog bewoond. Als de woning leeg staat, kan de belanghebbende op korte termijn verhuizen en wordt de uitvoeringsorganisatie niet geconfronteerd met kosten voor het vrijmaken van de woning. Als de woning nog door bijvoorbeeld achterblijvende gezinsleden wordt bewoond moet er rekening mee gehouden worden dat het vrijmaken van de woning extra kosten met zich mee kan brengen.
De uitvoeringsorganisatie kan de gezinsleden verzoeken om te verhuizen en kan hen dan ingevolge artikel 16 lid 4 van de Verordening een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten verstrekken. Voor de hoogte van de tegemoetkoming wordt verwezen naar artikel 9 lid 5 van het Besluit.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2.1