Naar hoofdinhoud
Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie en kennissen en het doen van gewenste activiteiten, alles binnen de directe woon- en leefomgeving. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Het criterium om in aanmerking te komen voor een Wmo-vervoersvoorziening is de vaststelling dat de belanghebbende het reguliere openbaar vervoer niet kan bereiken en/of niet kan gebruiken. Vervolgens wordt de vervoersbehoefte van de belanghebbende geïnventariseerd. Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal de uitvoeringsorganisatie beoordelen of deze behoefte ingevuld kan worden met het collectief aanvullend openbaar vervoer. Bij de selectie van de goedkoopst compenserende vervoersvoorziening geldt het uitgangspunt: collectief als het kan en individueel als het moet. Hierbij houdt de uitvoeringsorganisatie rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende. Daarentegen wordt ook verwacht dat een belanghebbende zijn verplaatsingspatroon tot op zekere hoogte aanpast aan zijn beperkingen. Gevergd kan worden dat men zich in zekere beperkingen getroost. De jurisprudentie van de Centrale Raad (LJN BK2500, BK2502, BK2504) heeft duidelijk gemaakt dat het primaat van het collectief vervoer gehanteerd mag worden. Er moet wel altijd beoordeeld worden of er aanleiding is af te wijken. De aanleiding kan ook zijn dat de collectieve vervoersvoorziening in het individuele geval niet als goedkoopst compenserend beschouwd kan worden. Dan pas komt een individuele vervoersvoorziening aan de orde. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor, zoals het geval is als iemand al 40 jaar een auto heeft en gewend is daar alles mee te doen, zal er geen noodzaak zijn te compenseren omdat er geen probleem is of omdat men het zelf kan oplossen. Ook is er geen noodzaak om te compenseren indien gebruik gemaakt kan worden van alternatieve vervoersmogelijkheden, zoals een algemeen gebruikelijke fiets, een brommer of een snorfiets.

Rechtspraak bij dit artikel