Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.4

Eigenaarschap: eerlijk verdelen van lasten en lusten

Onderdeel van Beleidsregel van de gemeenteraad van de gemeente Venray houdende regels omtrent Kader voor Opwekking Duurzame Energie (KODE)

Een belangrijk onderdeel in het komen tot een acceptabel plan is de mogelijkheid partner te zijn in het plan, om mede-eigenaarschap te voelen voor en van gemeenschap en gemeente. Dit kan door financiële participatie mogelijk te maken. Een voorbeeld is de verlaagd tariefregeling (de postcoderoos), maar ook een project waarin inwoners en bedrijven een aandeel of certificaat kunnen nemen. Doel is ervoor te zorgen dat de revenuen van lokale opwekprojecten ook meer lokaal en regionaal blijven. Financiële participatie heeft over het algemeen een negatieve invloed op een business case, aan participanten moet immers een marktconforme rente of dividend betaald worden. Voor initiatieven van coöperaties is de hefboom van participaties juist noodzakelijk om bancaire financiering te organiseren. De basisopstelling is dus mede van invloed op wat er wel/niet mogelijk is vanuit de business case. Voor de gemeente reden om te streven naar een substantieel lokaal eigenaarschap. Het concept Klimaatakkoord zoals medio 2019 gepresenteerd streeft ernaar dat voor 2030 de helft van de opwek van hernieuwbare energie, zoals zonne- en windenergie, in eigendom is van burgers en bedrijven uit de lokale omgeving. Per project kunnen de wensen van bedrijven en bewoners uit de omgeving om mee te profiteren verschillen. Dit geldt ook voor de mogelijkheden. De partij die het initiatief neemt voor het project (bijvoorbeeld een bedrijf of energie-coöperatie) gaat daarom in gesprek met de omgeving om hierover afspraken te maken. Als gemeente sluiten wij ons aan bij dit streven uit het Klimaatakkoord. Uitgangspunt 9: Streven naar substantieel aandeel lokaal eigenaarschap Wij gaan uit van de volgende streefcijfers rond participatie (zie tabel hieronder). Dit kan dus lopen via een coöperatie, zoals Bee Power, maar kan ook lopen via een constructie die de initiatiefnemer organiseert. Naast of in plaats van een coöperatieve participatie is het ook mogelijk dat de gemeente direct of indirect deelneemt in een zonnepark. Reden hiervoor kan zijn dat de coöperatieve participatie niet van de grond komt, maar ook omdat de gemeente bijvoorbeeld gronden inbrengt of weloverwegen strategisch een positie wil innemen. Na te streven aandeel: Zonnepanelen op veld Coöperatieve participatie 10-50% Gemeentelijke participatie 0-50% Van de initiatiefnemer Maximaal 90% Uitgangspunt is dat de initiatiefnemer minimaal 10% (en bij voorkeur meer, we streven naar 50% of meer, conform Klimaatakkoord) van het park, in opgesteld vermogen of oppervlak, ter beschikking stelt voor een bepaalde vorm van participatie door inwoners, bedrijven en organisaties uit de gemeente. Een mix van coöperatieve en gemeentelijke participatie kan ook aan de orde zijn. De opbrengsten uit de energietransitie moeten zo veel mogelijk terugvloeien naar de gemeenschap en in worden gezet voor klimaatdoelen. Flankerend: Om invulling te kunnen geven aan coöperatief mede-eigenaarschap is het belang te kunnen leunen op een of meerdere energie coöperatie(s) die hierop is/zijn toegerust. Voor de verdere professionalisering van deze organisaties overweegt de gemeente middelen beschikbaar te stellen. Lukt de coöperatieve borging niet of onvoldoende of niet snel genoeg (er is eigenlijk sprake van ‘participatiefalen’), wil de gemeente kijken of ze ofwel zelf positie kan nemen, dan wel kan borgen dat het coöperatieve aandeel beschikbaar blijft voor de lokale partners. Momenteel loopt in samenwerking tussen de gemeenten Venray, Beesel en Horst aan de Maas een onderzoek naar de positionering van de gemeenten in energietransitie. Kansen en risico’s die samenhangen met het innemen van bepaalde rollen worden verder uitgespit. Resultaten volgen op later tijdstip. Ter promotie van coöperatief eigendom is het denkbaar om bijvoorbeeld bij 50% of meer lokaal/coöperatief eigendom de legeskosten terug te storten als dit bereikt is. Uitgangspunt 10: Op basis van het geïnstalleerd vermogen wordt eenmalig een tegenprestatie gestort in het gemeentelijk kwaliteitsfonds door parken die behoren tot de sporen 4 en 5 Zonneparken hebben impact op de omgeving en claimen veelal ruimte die nu ergens anders voor gebruikt wordt. Binnen het Ruimtelijk KwaliteitsKader/Limburgs KwaliteitsMenu is sprake van tegenprestatie in geval van aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. In basis gebeurt dit vrijwel altijd door een landschappelijke inpassing ter plaatse. Voor alle sporen, met uitzondering van de daken, is dit een vereiste. Voor de sporen 4 (oude ontginningen) en 5 (jonge ontginningen) is sprake van een te verwachten grote schaal en daarmee grotere inbreuk, dat we van mening zijn hiervoor een aanvullende tegenprestatie te vragen. Voor bouwvlakgerelateerde projecten bij stoppende bedrijven is sprake van een tegenprestatie in de vorm van sloop. Terwijl bij de bedrijven die hun resterende bouwvlak inzetten bijdragen in de vorm van een financiële afdracht. In de normering daarvan wordt aangesloten bij vergelijkbare ontwikkelingen in het buitengebied. Met de middelen van de tegenprestatie worden kwaliteits-verbeterende maatregelen uitgevoerd zodat per saldo sprake is van een kwaliteitsverbetering, zoals is vastgelegd in de Structuurvisie. In die geest gaan we dus ook om met zonneparken. Initiatiefnemer stort de tegenprestatie in het gemeentelijk kwaliteitsfonds. Dit fonds geeft de gemeente de mogelijkheid compenserende maatregelen uit te voeren voor bijvoorbeeld kwaliteits-verbeteringen en natuurontwikkeling. Borging kwaliteitsverbeterende maatregelen Het resultaat van de ruimtelijke afweging wordt vastgelegd in de ruimtelijke maatregelen. De feitelijke bijdrage moet via een voorwaardelijke bepaling in het bestemmingsplan worden vastgelegd. De financiële bijdrage wordt in de planovereenkomst vastgelegd. De gemeente gaat vervolgens monitoren of de gemaakte afspraken na worden gekomen. Deze monitoring stopt niet na oplevering van het werk, maar de compensaties worden duurzaam ingericht en in stand gehouden. Bepaling kwaliteitsbijdrage Welke financiële bijdrage een zonnepark in een oude of jonge ontginning gebiedstype moet leveren is in onderstaande tabel nader uitgewerkt. Uitgangspunt hierbij is dat een goede landschappelijke inpassing altijd een voorwaarde is bij een ontwikkeling in het buitengebied. Ontwikkeling zonneparken Aandeel coöperatief / gemeentelijke participatie Kwaliteitsbijdrage Spoor 3 Bouwvlakgerelateerd , Met sloop Maximaal 2 ha Niet van toepassing Sloop gebouwen op eigen erf Spoor 3 Bouwvlakgerelateerd , Zonder sloop Maximaal 2 h Niet van toepassing € 0,25 / m² panelen Spoor 4 Oude ontginningen Minimaalgrootte 2 ha 0 tot 30% € 0,50 / m² panelen 30 tot 50% € 0.25 / m² panelen 50% of meer n.v.t. Spoor 5 Jonge ontginningen Minimaalgrootte 10 ha 0 tot 30% € 0,50 / m² panelen 30 tot 50% € 0,25 / m² panelen 50% of meer n.v.t. In geval de initiatiefnemer een groter aandeel financiële participatie weet te organiseren, is de financiële tegenprestatie voor het gemeentelijk kwaliteitsfonds lager. Zoals eerder gesteld streven we naar een coöperatief aandeel van 50% of meer.

Rechtspraak bij dit artikel