Naast de in artikel 30f van de Wet genoemde intrekkingsgronden kan de burgemeester de vergunning intrekken:
- - als blijkt dat de vergunning door een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
- - als de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f;
- - als gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen;
- - als niet binnen zes weken na verlening van de vergunning wordt gestart met de exploitatie van een speelautomatenhal of de exploitatie voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken.