De cliënt heeft onverminderd artikel 2.3.6 vijfde lid van de wet recht op een persoonsgebonden budget indien:
de cliënt naar oordeel van het college voldoende in staat is de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren. Dat kan bijvoorbeeld op eigen kracht maar ook met hulp uit zijn sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger;
de cliënt weet te motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst, middels bijvoorbeeld het overleggen van een budgetplan;
naar oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen voldoen aan de kwaliteitseisen van de wet en in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt toegekend.
Aan het recht op een persoonsgebonden budget zijn de volgende verplichtingen verbonden:
de cliënt stelt een budgetplan op in geval met het persoonsgebonden budget diensten worden ingekocht;
het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt geacht;
uit het persoonsgebonden budget mogen in ieder geval geen administratieve bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of belangenbehartigers worden betaald;
het persoonsgebonden budget moet binnen zes maanden na de beschikking zijn aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen kan het college een termijn van 15 maanden hanteren;
de cliënt die is aangewezen op maatschappelijke ondersteuning besteedt het persoonsgebonden budget niet aan een persoon welke tot zijn leefeenheid behoort die feitelijk gebruikelijke hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting.
De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend voor de inkoop van diensten komt met de aanbieder een schriftelijke overeenkomst overeen, waarin ten minste afspraken zijn opgenomen over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning en de wijze van declareren. De cliënt maakt daarbij in principe gebruik van de overeenkomsten die de Sociale Verzekeringsbank ter beschikking stelt.
Het college kan andere eisen stellen aan de in het vorige lid bedoelde overeenkomst indien het persoonsgebonden budget wordt besteed aan een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of aan een persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt.
Het college stelt nadere regels over de voorwaarden ingeval het persoonsgebonden budget aan een hulpmiddel, vervoersvoorziening of woningaanpassing wordt besteed. Deze voorwaarden kunnen van toepassing zijn indien een maatwerkvoorziening in natura wordt toegekend.
HOOFDSTUK 5
Artikel 5.1
Criteria persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening Wmo Gemeente Oisterwijk 2020