Naar hoofdinhoud
In de volgende situaties wordt in ieder geval uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid: indien de belanghebbende op het moment dat hij aan zijn inlichtingenverplichting moest voldoen in onvoorziene en ongewenste omstandigheden verkeerde die niet tot het normale levenspatroon behoren, en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan zijn verplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de informatie niet tijdig of volledig aan het college is verstrekt; indien de belanghebbende heeft kunnen aantonen dat het hem vanwege zijn geestelijke toestand op het moment dat hij aan zijn inlichtingenverplichting moest voldoen, niet volledig kan worden aangerekend dat hij de verplichting heeft geschonden en dat het voor hem niet mogelijk was een derde in te schakelen om namens hem inlichtingen te verstrekken; indien er sprake is van een samenstel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

Rechtspraak bij dit artikel