Naar hoofdinhoud
1.. Voor het gedeeltelijk onttrekken aan de bestemming tot bewoning voor gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar, is geen vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, derde lid, onderdeel a, noodzakelijk mits en zolang de bestemming tot bewoning overheersend blijft. 2.. Voor het samenvoegen van woonruimten ten behoeve van eigen bewoning of het gedeeltelijke gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar, is geen vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, derde lid, onderdeel b, noodzakelijk mits en zolang de bestemming tot bewoning overheersend blijft. 3.. Voor het onttrekken aan de bestemming tot bewoning ten behoeve van het gebruik als tweede woning, is geen vergunning als bedoeld in artikel 3.1.1, derde lid, onderdeel a, noodzakelijk mits en zolang: de woonruimte, indien gehuurd, een rekenhuur heeft boven de liberalisatiegrens; de eigenaar of huurder zijn hoofdverblijf buiten Amsterdam houdt; en, het om ten hoogste één woonruimte per eigenaar of huurder gaat. 4.. Voor vakantieverhuur is geen vergunning noodzakelijk mits en zolang: de bewoner, die een woonruimte verhuurt, de betreffende woonruimte als hoofdverblijf heeft en op het adres van deze woonruimte ingeschreven staat in de basisregistratie personen; vakantieverhuur maximaal dertig nachten per kalenderjaar plaatsvindt; aan niet meer dan vier personen per nacht onderdak wordt verleend; geen sprake is van een huurwoning in eigendom van een woningcorporatie; de woonruimte niet is gelegen in een gebied waar een verbod op vakantieverhuur geldt; en, de bewoner die verhuurt, elke keer voordat het gebruik ten behoeve van vakantieverhuur start, deze wijze van gebruik van de woonruimte door middel van een door burgemeester en wethouders voorgeschreven formulier elektronisch heeft gemeld bij burgemeester en wethouders. 5.. Burgemeester en wethouders kunnen een gebied als bedoeld in het vierde lid, onderdeel e, aanwijzen. 6.. Voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten is geen vergunning als bedoeld artikel 3.1.1, derde lid, onderdeel c, noodzakelijk mits en zolang de woonruimte door ten hoogste twee volwassenen wordt bewoond. 7.. Voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten is geen vergunning als bedoeld artikel 3.1.1, derde lid, onderdeel c, noodzakelijk mits en zolang er sprake is van inwoning. Hiervan is sprake als: een bestaand huishouden inwoning verleent aan maximaal één ander huishouden; en, op voorhand niet de wens bestaat om het adres met het inwonende huishouden te delen, blijkende uit het feit dat het eerste huishouden in dezelfde samenstelling de woonruimte minimaal twee jaar zonder inwonend huishouden heeft bewoond. 8.. Het zevende lid, onderdeel b, is niet van toepassing in het geval van mantelzorg of inwoning van eerste- of tweedegraads familieleden. 9.. De uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals genoemd in de vorige leden, zijn niet van toepassing op de situatie waarbij door de eigenaar of een derde is gehandeld met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan de werking van de regels die bij of krachtens de Huisvestingswet zijn gesteld. 10.. Burgemeester en wethouders kunnen in het geval van bijzondere omstandigheden in individuele gevallen bepalen dat er een uitzondering op de vergunningplicht geldt en kunnen hier voorwaarden en voorschriften aan verbinden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel