Indien belanghebbende een uitkering ontvangt, bedraagt de aflossingsverplichting het meerdere van 95% van de bijstandsnorm voor respectievelijk een alleenstaande of gehuwde inclusief vakantietoeslag, dan wel het meerdere van 95% van de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
In geval van beslaglegging door een andere schuldeiser dan het college, wordt de aflossingsverplichting ingevolge lid 1 voor alle vorderingen van de debiteur bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
HOOFDSTUK 3
Artikel 11.
Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering
Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBz 2004 2020