Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 12.

Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren die geen recht (meer) hebben op een uitkering

Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBz 2004 2020

De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit wordt vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 11, eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, dan wel IOAW- of IOAZ-grondslag inclusief vakantiegeld. Indien de terugvordering een fraudevordering betreft bedraagt het in het eerste lid genoemde percentage 50%. Het bedrag van de maandelijkse aflossingscapaciteit onder het eerste en tweede lid: is niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen; kan het college hoger of lager vaststellen indien sprake is van bijzondere omstandigheden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel