Het college maakt gebruik van de navolgende bevoegdheden:
de bevoegdheid om tot herziening dan wel intrekking van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet over te gaan zoals opgenomen in artikel 2.3.10, eerste lid, van de wet en artikel 15, derde en vierde, van de verordening;
de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk de geldswaarde te vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb zoals opgenomen in artikel 2.4.1, eerste lid, van de wet en artikel 15, vijfde en zesde lid, van de verordening.
Hoofdstuk 14
Artikel 38