Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.8

Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer

Onderdeel van Nadere regels behorende bij de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gooise Meren 2020

Het college kan maatwerkvoorzieningen verlenen gericht op ondersteuning bij deelname aan het maatschappelijk verkeer. Deze maatwerkvoorzieningen zijn gericht op: het zich lokaal kunnen verplaatsen medemensen ontmoeten en sociale verbanden aangaan, over de korte afstand rondom de woning en verplaatsingen over de langere afstand indien de cliënt geen gebruik kan maken van het reguliere Openbaar Vervoer. De maatwerkvoorzieningen zoals bedoeld in lid 1 worden toegekend in de vorm van: vervoersvoorzieningen; een gebruikerspas Wmo-taxi wordt verstrekt voor sociaal-recreatief vervoer op regionaal niveau. Hiervoor is de cliënt een ritbijdrage per zone (en per rit een opstaptarief) is verschuldigd. Dit wordt bepaald aan de hand van het in de regio gangbare toepasselijke tarief en het budget aan aantal benodigde zones; individueel (rolstoel)taxi/individueel taxivervoer in de vorm van een pgb; De hoogte daarvan wordt vastgesteld op bedragen op jaarbasis. Daarbij geldt dat het pgb toereikend is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer als bedoeld in lid 1. Het college kan op het jaarbedrag dan ook een korting toepassen indien sprake is van: verblijf in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg; een samenvallende vervoersbehoefte; een beperkte (zelfstandige) vervoersbehoefte; andere aanwezige vervoersvoorzieningen of vervoersmogelijkheden; een autoaanpassing in de vorm van een pgb. Dit bedraagt de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen, op basis van tenminste 2 offertes. Bedoelde maatwerkvoorziening wordt maximaal eenmaal per vijf jaar verstrekt en alleen als de auto jonger is dan zeven jaar. Indien als gevolg van het verstrekken van deze maatwerkvoorziening extra verzekeringskosten en hogere kosten in verband met de motorrijtuigenbelasting ontstaan, komen deze (meer)kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Boven € 4.000 dient de aanpassing door de cliënt verzekerd te worden tegen diefstal en vandalisme; De maatwerkvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid zijn gericht op: het zich lokaal kunnen verplaatsen; medemensen ontmoeten en sociale verbanden aangaan, over de korte afstand rondom de woning en verplaatsingen over de langere afstand indien de cliënt geen gebruik kan maken van het reguliere Openbaar Vervoer; Onder lokaal als bedoeld in dit artikel wordt 15 tot 20 kilometer rondom de woning verstaan, waarbij deelname aan het maatschappelijk verkeer mogelijk is met een omvang van 2000 kilometer per jaar. Dit geldt ook voor individueel taxivervoer; Het gebruik van een eigen auto is algemeen gebruikelijk. Indien het gebruik van de eigen auto in het specifieke geval van de cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, bedraagt het pgb voor het gebruik van de eigen auto € 0,19 per kilometer tot 2000 kilometer per jaar; Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het vorige lid. Toelichting bij dit artikel over hulpmiddelen: Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. Uitzondering Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan een zogeheten transportrolstoel worden verleend. Dat is het geval indien een cliënt zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. De cliënt is aangewezen op een transportrolstoel om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de bovengenoemde mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in het collectief vervoer of in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen. Stalling Het stallen van vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel dient op een adequate wijze te geschieden. Het college onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte. Dit behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de scootmobiel, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van het college. De minimale eis hierbij is het aan 3 zijkanten en een dak gesloten ruimte, inclusief een oplaadpunt. Auto-aanpassing U komt niet in aanmerking voor een auto-aanpassing als deze algemeen gebruikelijk is. Een aantal voorbeelden van algemeen gebruikelijke auto-aanpassingen zijn: automatische transmissie; elektrisch bedienbare ramen; kosten van een APK-keuring; een derde of vijfde deur en warmtewerend glas; cruise control. Wijziging in de verstrekking mobiliteitshulpmiddelen Wmo-Wlz vanaf 1 januari 2020: Vanaf die datum krijgen alle bewoners met en zonder behandeling (degenen die niet hun woonlasten zelf betalen) hun (nieuwe) mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobie)l, en roerende woonvoorzieningen (zoals tilliften en douchestoelen) niet meer uit de Wmo maar uit de Wlz. Voor de bewoners die al een hulpmiddel uit de Wmo hebben, komt er een overgangsregeling. Voor cliënten die zelf de woonlasten betalen, blijven de mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen onveranderd onder de verantwoordelijkheid van de gemeente (Wmo) vallen. Hulpmiddelen voor zorgverlening en wonen voor algemeen gebruik worden altijd uit de Wlz betaald. Dit gaat bijvoorbeeld om tilliften en hoog-laagbedden, ook wel ‘roerende voorzieningen’ genoemd. Nu leveren gemeenten en zorgverzekeraars deze hulpmiddelen soms nog vanuit de Wmo 2015 en Zvw. Deze vereenvoudiging kan met name gevolgen hebben voor cliënten zonder behandeling die al gebruik maken van deze hulpmiddelen. Uitgangspunt is dat zij zo weinig mogelijk van deze verandering merken. Bewoners van Wlz-instellingen die na 2020 een nieuw hulpmiddel nodig hebben, krijgen deze meteen vanuit de Wlz. Als iemands in een zorginstelling woont en een mobiliteitshulpmiddel via de Wmo van de gemeente heeft gekregen, dan behoudt deze persoon dat hulpmiddel. De gemeente blijft verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen tot het hulpmiddel vervangen moet worden. Mocht deze persoon na 1 januari 2020 verhuizen naar een zorginstelling in een andere gemeente, dan maken de gemeente van wie deze persoon het mobiliteitshulpmiddel heeft ontvangen en het zorgkantoor afspraken over het overnemen van het  mobiliteitshulpmiddel. Als deze persoon na 1 januari 2020 een nieuw mobiliteitshulpmiddel nodig heeft, wordt dat vanuit de Wlz betaald en onderhouden. Op dit moment biedt de Wlz alleen rolstoelen. Vanaf 2020 komen daar bij: Niet-algemeen gebruikelijke fietsen, zoals driewielfietsen Scootmobielen Aangepaste wandelwagens/buggy’s Aangepaste autostoeltjes voor kinderen De vereenvoudiging van het verstrekken van individuele, persoonsgebonden hulpmiddelen voor cliënten in een Wlz-instelling, zoals incontinentiemateriaal en orthopedische schoenen, is nog onderwerp van gesprek. Zie ook: https://www.informatielangdurigezorg.nl/veranderingen/vanaf-2020/hulpmiddelenzorg-

Rechtspraak bij dit artikel