Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste 13 weken van een betaling uit het pgb als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet.
Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het pgb wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.
Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort voert het college of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden.
HOOFDSTUK 7.
Artikel 7.7
Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020