Het college kan de inzet van een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat door de jeugdige of zijn ouder(s) niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet.
Gedurende de periode waarin de inzet van de individuele voorziening is opgeschort, voert het college of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden.
HOOFDSTUK 7.
Artikel 7.8
Opschorting inzet individuele voorziening
Onderdeel van Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020