Een voorwaarde voor door de gemeente betaalde jeugdhulp is dat de jeugdige inwoner volgens het woonplaatsbeginsel zijn hoofdverblijf in Emmen heeft. Een minderjarige volgt de woonplaats van hem of haar die het gezag over de minderjarige uitoefent, de onder curatele gestelde die van zijn of haar curator. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, maar hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft, dan wel laatstelijk heeft verbleven. Voor de bepaling van de woonplaats maakt de gemeente gebruik van een hulpmiddel (stappenplan, bijlage 4). Hierbij wordt ermee rekening wordt gehouden dat Emmen het zogenoemde convenant woonplaatsbeginsel heeft ondertekend, voor zover dit per 1 januari 2020 nog van kracht is (dat wil zeggen: voor zover hetgeen in het convenant is opgenomen nog niet wettelijk is verankerd).
Toelichting op het convenant woonplaatsbeginsel:
Het woonplaatsbeginsel bepaalt voor een jeugdige in kwestie welke gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdhulp en de financiering daarvan. In de praktijk levert het woonplaatsbeginsel knelpunten op. Om deze op te lossen, is aanpassing van de wettelijke definitie van het woonplaatsbeginsel nodig. De verwachting is dat dit in ieder geval niet eerder dan 1 januari 2020 gerealiseerd is en tot die tijd geldt het convenant woonplaatsbeginsel. In een casus tussen twee gemeenten kunnen de gemeenten elkaar alleen aan de werking van dit convenant houden als beide gemeente het convenant hebben onderschreven. De belangrijkste afspraken zijn:
Bij een verhuizing van een jeugdige/gezin neemt de nieuwe gemeente voor minimaal een jaar de jeugdhulp zonder nadere indicering over. De nieuwe gemeente neemt de betaling aan de jeugdhulpaanbieder over.
Bij onduidelijkheid tussen twee gemeenten over een gezagskwestie zorgen beide gemeenten dat de jeugdhulp in elk geval doorloopt en de jeugdhulpaanbieder betaald wordt.
Nadere toelichting op de hierboven genoemde knelpunten:
De reguliere regel voor het woonplaatsbeginsel wordt dat de BRP-registratie van de jeugdige
leidend is (i.p.v. de feitelijke woonplaats van de gezagsdrager in de huidige wetgeving).
De uitzondering is jeugdigen met verblijf (incl. jeugdigen in pleeggezinnen en 18+ met verblijf).
Voor deze jeugdigen wordt de gemeente waar de jeugdige oorspronkelijk vandaan komt verantwoordelijk. De wetgever definieert dit als de gemeente waar de jeugdige als laatste
heeft gewoond, voordat het verblijf in een instelling of pleeggezin is begonnen.
Bij de start of verlenging van de jeugdhulp of de maatregel volgt een (nieuwe) bepaling van de woonplaats.