Naar hoofdinhoud
In aanvulling op de voorwaarden uit de wet worden aan de tegemoetkoming voor (VE)-peuterplaatsen de volgende voorwaarden gesteld: De houder zorgt ervoor dat een beroepskracht voorschoolse educatie, die werkzaam is in de VE-groep, beschikt over een certificaat van een met goed gevolg afgelegd erkend VE-programma. De houder legt in het pedagogisch plan vast op welke wijze het VE-programma door de hiervoor gecertificeerde beroepskrachten wordt uitgevoerd, de vier onderscheiden ontwikkelingsdomeinen taal, rekenen, sociaal-emotionele ontwikkeling en motoriek zijn ingericht en met welke frequentie kinderen aan het taalintensieve aanbod kunnen deelnemen. De houder registreert per dagdeel de aanwezigheid van de kinderen in een aanwezigheidsregistratiesysteem. De houder registreert het recht op gemeentelijke tegemoetkoming en houdt een deugdelijke administratie bij. De houder legt de vorderingen van de kinderen op VE-peuterplaatsen vast in een door gemeente erkend kindvolgsysteem. De houder legt in een protocol vast hoe hij zorgt voor de overdracht van de VE geïndiceerde peuter naar de basisschool. Bij de overdracht is er persoonlijk contact tussen de beroepskracht en de leerkracht, met als doel de school te informeren over de ontwikkeling en de leefsituatie van het kind, de pedagogische en didactische aansluiting en de zorgbehoefte van het kind. De houder legt bij inschrijving van het kind op een VE-peuterplaats met de ouders vast: dat zij om redenen van continuïteit hun kind ten minste één jaar ononderbroken deel laten nemen of tot het kind de leeftijd van 4 jaar bereikt; dat zij deelnemen aan de ouderactiviteiten, zoals die omschreven zijn in het pedagogische plan van de organisatie; of zij instemmen met overdracht van gegevens over hun kind aan de door hen gekozen basisschool; of zij instemmen met overdracht van gegevens over hun kind aan de indicatieadviseur.

Rechtspraak bij dit artikel