Naar hoofdinhoud
Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning (activiteit milieu) of een melding op grond van het Activiteitenbesluit moet beoordeeld worden of een bodemonderzoek overlegd moet worden. Bij deze afweging wordt gebruik gemaakt van de NRB. In deze richtlijn wordt gesteld dat in principe altijd een nulsituatieonderzoek moet worden uitgevoerd. Zelfs wanneer binnen een inrichting zodanig bodembeschermende voorzieningen en maatregelen zijn getroffen dat een verwaarloosbaar risico wordt bereikt, moet een nulsituatieonderzoek worden uitgevoerd. In de NRB zijn namelijk geen ondergrenzen gesteld. Dit kan betekenen dat bij een inrichting waar bijvoorbeeld alleen een kleine hoeveelheid olie wordt opgeslagen boven een bodembeschermende voorziening en waarbij verder geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, hiervoor een nulsituatieonderzoek moet worden uitgevoerd. Het eisen van een nulsituatieonderzoek wordt in dergelijke gevallen echter niet redelijk en zinvol geacht. De NRB heeft formeel geen juridische status, maar heeft als bestuurlijk bekrachtigd instrument wel een sterk sturende functie. De NRB is niet bindend. Afwijkingen zijn mogelijk, mits deze duidelijk worden gemotiveerd. Gelet op het wettelijk kader wordt voorgesteld om met betrekking tot het voorschrijven van bodemonderzoeken de volgende beleidslijn te volgen in afwijking van de NRB. 4.3.1. Wanneer wel of niet een nulsituatieonderzoek Er zijn situaties denkbaar waarbij het twijfelachtig is om een nulsituatieonderzoek te vragen. Voor de volgende situaties wordt gemotiveerd afgeweken van de NRB en wordt aldus geen nulsituatieonderzoek verlangd: Bij meldingen en vergunningaanvragen naar aanleiding van veranderingen binnen een bestaande inrichting of het vestigen van nieuwe inrichtingen in bestaande panden wordt geen nulsituatie meer verlangd indien bodembedreigende activiteiten inpandig plaatsvinden en de aanwezige vloeistofdichte of vloeistofkerende vloeren hiervoor moeten worden doorboord. Hierbij wordt er wel vanuit gegaan dat binnen de inrichting voldoende bodembeschermende voorzieningen en maatregelen zijn of worden getroffen, zodat een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging wordt gerealiseerd. Indien dit niet het geval is, moet hier actief op worden gehandhaafd, zodat wel een verwaarloosbaar risico wordt bereikt. Uiteraard kan het bedrijf altijd gewezen worden op de nut en noodzaak van een ‘vrijwillig’ uitgevoerd nulsituatieonderzoek (bijvoorbeeld om aansprakelijkheid voor eventueel reeds aanwezige verontreinigingen te voorkomen). Voor opslag van kleine hoeveelheden milieugevaarlijke stoffen hoeft er geen nulsituatie onderzoek uitgevoerd te worden. Denk hierbij aan werkvoorraad of een milieukast met flessen en potten milieugevaarlijke stoffen. De NRB maakt dit onderscheid niet, maar het wordt niet wenselijk geacht om bij elke liter een nulsituatie vast te leggen. Uitgangspunt is dat er minimaal 100 liter bodembedreigende stoffen aanwezig moet zijn, voordat er sprake is van een bodembedreigende situatie. In beginsel wordt er bij minder dan 100 liter geen nulsituatieonderzoek verlangd. Wel dient altijd per situatie bekeken te worden of er wel of niet een nulsituatie onderzoek noodzakelijk is. Een en ander is afhankelijk van de soort stof die aanwezig is, de bedrijfssituatie (wat is bijvoorbeeld de staat van de vloer e.d.) en de activiteiten die er worden uitgevoerd. Daarnaast is het verbruik belangrijk. Er kan namelijk wel sprake zijn van een kleine opslag, maar als het (jaarlijks) verbruik groot is kan dat een reden zijn om de nulsituatie vast te laten leggen. Voor opslag in een bestrijdingsmiddelenkast (PGS-gekeurd) wordt de minimum hoeveelheid op 150 liter gesteld omdat het veelal gaat om de opslag van kleine hoeveelheden verschillende bestrijdingsmiddelen. Bij minder dan 150 liter wordt er geen nulsituatieonderzoek verlangd. Wanneer er sprake is van opslag van klein verpakkingen voor bijvoorbeeld de verkoop aan derden en er geen gebruik wordt gemaakt van de opgeslagen (vloeibare) milieugevaarlijke stoffen is het niet noodzakelijk de nulsituatie vast te leggen. Ook een onderzoek wat in een ander kader is uitgevoerd kan geschikt zijn voor het vastleggen van de nulsituatie. Dit moet per onderzoek beoordeeld worden. Onderzoek Geschikt voor nulsituatie Motivatie Grondtransactie / bouwvergunning (zie par. 3.4.1) Mogelijk Indien verdachte activiteiten en stoffen (in NEN-pakket) op de juiste plek voldoende zijn onderzocht Evaluatierapport bodemsanering (mits beschikt door bevoegd gezag) Mogelijk Aspecten ter beoordeling: tijdstip sanering, saneringstechniek, grondwater en te gebruiken stoffen NEN 5740 Strategie Grootschalig onverdacht Mogelijk In combinatie met BKK en de te gebruiken stoffen Partijkeuringen Mogelijk Bij aanvoer van partijen grond (ophoging) kan een AP-04 worden geaccepteerd, mits de te gebruiken stoffen gelijk zijn aan de bedrijfsactiviteit. Als er geen nulsituatieonderzoek uitgevoerd hoeft te worden, wordt als referentiewaarde uitgegaan van de achtergrondwaarde conform de BKK of een beschikbaar “ouder” onderzoek. In de onderstaande gevallen is een nulsituatie wel vereist. Deze lijst van gevallen is niet uitputtend. Bij het oprichten van een nieuwe inrichting waarbij bodembedreigende activiteiten zoals aangegeven in de NRB gaan plaatsvinden, dient de bestaande bodemkwaliteit van het terrein te worden vastgesteld. In afwijking van de Wm wordt onder ‘oprichten’ uitsluitend verstaan: het oprichten van inrichtingen waarbij nieuwbouw plaatsvindt en niet de situatie waarbij een nieuw bedrijf in een bestaand pand trekt en hiervoor een oprichtingsvergunning aanvraagt dan wel melding moet doen. Bij meldingen en vergunningaanvragen naar aanleiding van veranderingen binnen bestaande inrichtingen of het vestigen van nieuwe inrichtingen in bestaande panden dient in ieder geval ter plaatse van de volgende activiteiten de bestaande bodemkwaliteit te worden vastgesteld door middel van onderzoek: Afleveren van vloeibare brandstoffen, zowel aan wegverkeer en / of eigen materieel (tankplaatsen); Uitpandige wasplaatsen waarbij meer dan één motorvoertuig, niet zijnde een autobus of een vrachtwagen als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, per week pleegt te worden gewassen. Indien boven een uitpandige wasplaats autobussen en / of vrachtwagens worden gewassen dient altijd een nulsituatieonderzoek ter plaatse te worden uitgevoerd, ongeacht de frequentie; Opslag van bodembedreigende vloeistoffen in ondergrondse of ingeterpte tanks (zoals opslag van oliën, afgewerkte ontwikkelaar en fixeer, VOS enzovoort); Uitpandige vul- en aftappunten voor bodembedreigende vloeistoffen m.u.v. vloeibaar gemaakte gassen en propaan / butaan; Slibvangputten en olie-benzineafscheiders alsmede bedrijfsriolering (controleput); Ter plaatse van grote toegangsdeuren indien een vloeistofdichte vloer aanwezig is en er geen drempel is gemaakt. Bij al deze situaties geldt dat een vloeistofdichte of vloeistofkerende vloer of verharding ten behoeve van het onderzoek in principe niet wordt doorboord of anderszins aangetast. Dit geldt niet voor vloeistofkerende vloeren bestaande uit bijvoorbeeld stelconplaten, tegels en dergelijke. Dergelijke vloeren kunnen eenvoudig worden verwijderd en teruggeplaatst, zonder dat de kwaliteit van de vloer wordt aangetast. 4.3.2. Grondwatermonitoring Waarom grondwatermonitoring? Het ontstaan van een bodemverontreiniging is nooit helemaal uit te sluiten. Hierdoor is het vroegtijdig signaleren van een bodemverontreiniging van groot belang, zeker bij bodembedreigende bedrijfsactiviteiten waarbij mobiele componenten zoals minerale olie of aromaten in de bodem kunnen komen. Door middel van het periodiek monitoren van het grondwater bij bedrijfsactiviteiten of installaties kan de kans op het vroegtijdig ontdekken van een bodemverontreiniging met mobiele componenten door een lekkage aanzienlijk vergroot worden (maatwerk). In welke gevallen monitoring? Ter plaatse van de volgende bedrijfsactiviteiten kan grondwatermonitoring noodzakelijk zijn: Ondergrondse tank en geomembraanbaksysteem, 15 Op grond van artikel 2.2 van de Regeling Algemene regels voor Inrichtingen Milieubeheer. Bij bedrijfsactiviteiten waar in de vergunningvoorschriften is opgenomen dat grondwatermonitoring plaats moet vinden en Olie-waterafscheider (OBAS). Eisen grondwatermonitoring De peilbuis voor de monitoring dient geschikt te zijn voor het constateren van componenten die in de bodem kunnen geraken. Zo dient een peilbuis ten behoeve van het tijdig constateren van een bodemverontreiniging met mobiele stoffen die een drijflaag kunnen veroorzaken stroomafwaarts en snijdend met het grondwater geplaatst te worden. Na plaatsing dient de peilbuis beschermd te worden tegen het lekken van vloeistoffen in of langs de peilbuis. 4.3.3. Wanneer een eindsituatieonderzoek Bij beëindiging van een inrichting, waar één of meer bodembedreigende activiteiten zijn verricht, moet in bepaalde gevallen een eindsituatieonderzoek worden overlegd. 16 Bij meldingsplichtige inrichtingen moet een eindsituatie worden uitgevoerd op grond van artikel 2.11 lid 3 Activiteitenbesluit. In geval van vergunningplichtige inrichtingen moet een voorschrift hierover opgenomen worden in de vergunning. Dit geldt ook als er binnen de inrichting sprake was van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Vergunning Bij bedrijfsbeëindiging of tussentijdse beëindiging van activiteiten dient na te worden gegaan of een eindsituatieonderzoek moet worden uitgevoerd. De vergunning mag pas ingetrokken/gewijzigd worden als het eindonderzoek aangeleverd en goedgekeurd is. Als de vergunning is ingetrokken of vervallen dan bestaat er geen basis meer op grond waarvan het eindsituatieonderzoek kan worden afgedwongen. In bepaalde gevallen is het niet mogelijk een eindsituatieonderzoek af te dwingen: De inrichting heeft een nieuwe eigenaar, dezelfde activiteiten worden uitgevoerd. De milieuvergunning heeft een zaaksgebonden karakter. Als de eigenaar wisselt blijft de vergunning bestaan en dient de nieuwe eigenaar zich te houden aan de vergunningvoorschriften. Aangezien de activiteiten niet wijzigen bestaat er (voor het bevoegd gezag) geen aanleiding voor een eindsituatieonderzoek. 17 Koper en verkoper kunnen onderling wel een onderzoek afspreken op basis van de transactie en de mogelijke aansprakelijkheid. Er is een nieuwe eigenaar die geen Wm-plichtige activiteiten uitvoert. De nieuwe eigenaar kan niet worden aangemerkt als inrichtinghouder en kan niet worden aangesproken voor de “oude” vergunning en / of de vergunningvoorschriften. De voormalige eigenaar / inrichtinghouder moet worden aangeschreven conform de Wm. Bij faillissementen moet de curator worden aangeschreven. Activiteitenbesluit De inrichtinghouder moet het voornemen tot het buiten werking stellen van de inrichting of verandering van de inrichting melden aan het bevoegd gezag. Op dat moment kan een eindsituatieonderzoek worden afgedwongen. In praktijk zal een inrichtinghouder lang niet altijd alle veranderingen melden. Het is dan ook noodzakelijk dat handhavers bij bedrijfscontroles aandacht besteden aan het verplaatsen of beëindigen van activiteiten en het effect daarvan op de bodem. Vastleggen eindsituatie Als een onderzoek is gedaan naar de eindsituatie moet deze ook formeel worden vastgesteld. Het rapport dient eerst te worden beoordeeld door een bodemmedewerker. Na goedkeuring door de bodemmedewerker wordt er een brief gestuurd door de toezichthouder naar de inrichtinghouder met daarin opgenomen met welk rapport (datum en nummer) de eindsituatie is vastgelegd. De handhaver dient toe te zien op eventuele vervolgacties.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel