Naar hoofdinhoud
Er zijn twee mogelijkheden: de burger meldt zich zelf of wordt verzocht zich te melden. Het verzoek tot melden kan voortkomen uit een signaal dat afgegeven is door bijvoorbeeld een zorgverzekeraar, woningstichting of energiebedrijf. Wanneer er een signaal binnen komt wordt er in eerste instantie schriftelijk contact opgenomen met de burger. Indien binnen twee weken geen contact opgenomen is door de klant, worden de gegevens doorgestuurd aan het maatschappelijk werk (Traverse). In de aanmeldfase meldt de schuldenaar zich middels het zaaksysteem, bij het invullen en verzamelen van de gegevens kan betrokkene ondersteuning krijgen van een vrijwilliger. Vervolgens vindt er een gesprek plaats met de medewerker van schuldhulpverlening. Het intake gesprek moet plaatsvinden uiterlijk vier weken na de aanmelding. Als er sprake is van een bedreigende situatie moet dit gesprek binnen drie dagen plaatsvinden. Situatie in kaart brengen In het intakegesprek- en eventuele vervolggesprekken wordt de situatie in kaart gebracht. Om te kijken in welke mate er grip op geld is dienen onder andere de volgende vragen gesteld te worden : Welke schulden zijn er en wat is de totale schuldenlast? Wat zijn de inkomsten en uitgaven? Kunnen de inkomsten omhoog (via werk of beroep op regelingen) en kunnen de uitgaven omlaag (verkoop bezit)? Kan er een financiële buffer gecreëerd worden? Heeft de schuldenaar zijn administratie op orde of kan hij deze op orde krijgen? Tijdelijke oplossing doorbetalen vaste lasten? Is de schuldenaar in staat en voldoende gemotiveerd om een schuldregelingstraject tot een goed einde te brengen? Zijn er, naast de schuldenproblemen, ook andere problemen bekend? Zo ja, welke hulpverlenende instanties kan de klant aanspraak op maken? (Integrale aanpak) Doorlichten van uitgaven en inkomsten In deze fase is het noodzakelijk om inkomsten en uitgaven in kaart te brengen. Liggen er beslagen op de inkomsten of is er sprake van verrekening met de inkomsten en kunnen deze worden opgeschort of verlaagd? Respecteren de schuldeisers de beslagvrije voet (het gedeelte van het inkomen dat moet worden vrijgelaten om de vaste lasten te kunnen betalen)? Maakt de aanvrager gebruik van alle voorliggende voorzieningen zoals toeslagen en kwijtscheldingen belastingen? Aan de hand van bovengenoemde informatie komt de schuldhulpverlener tot een beoordeling of een betalingsregeling mogelijk is of dat er een minnelijke regeling noodzakelijk is. Minnelijke schuldregeling Een minnelijke schuldregeling houdt in dat alle schuldeisers vrijwillig akkoord gaan met de betaling van een deel van de schuld en kwijtschelding verlenen voor de restschuld. Een percentage van de totale schuld wordt in 36 maanden terugbetaald aan de schuldeisers. Na succesvolle afronding van het traject volgt finale kwijting. Bij sommige gaat er een stabilisatietraject vooraf aan het tot stand brengen van een minnelijke regeling. Stabilisatie heeft als doel het maximaliseren van de inkomsten, minimaliseren van de uitgaven en het bevriezen van de schulden. In geval van achterstanden in de vaste lasten zoals huur, energie, water en zorgverzekering wordt vaak ook budgetbeheer opgestart, om tijdige betaling van de vaste lasten gedurende het traject te garanderen en nieuwe schulden te voorkomen. Bovendien kan het verder oplopen van schulden in de vaste lasten uithuiszetting of afsluiting van energie of water tot gevolg hebben, wat het traject in gevaar kan brengen. Immers is er dan geen sprake meer van een stabiele situatie, waarbij volledig aan de oplossing van schulden gewerkt kan worden. Niet bij iedereen is een stabilisatietraject noodzakelijk. Sommige mensen kunnen meteen door naar het 120 dagen traject. 120-dagen traject: tot stand brengen van een minnelijke regeling In deze periode berekent de schuldhulpverlener de afloscapaciteit en vraagt hij de schuldeisers om akkoord te gaan met een voorstel tot regeling van de schuld. Voor de totstandkoming van de minnelijke regeling is de medewerking van alle schuldeisers nodig. Regelmatig komt het voor dat één of meer schuldeisers dwars liggen. In die gevallen kan namens de schuldenaar de rechtbank gevraagd worden om een dwangmiddel toe te wijzen. Moratorium (opschorten incasso) Als één of meer schuldeisers de invordering niet tijdelijk willen opschorten tijdens de voorbereiding of opzet van een minnelijke regeling kan de schuldenaar de rechtbank verzoeken om een ‘moratorium’ aan de schuldeiser(s) op te leggen voor de duur van maximaal 6 maanden. Er moet sprake zijn van één van de volgende bedreigende situaties: gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektra of water of beëindiging van de zorgverzekering. Toeleiding naar de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) Als er aan de schuldeiser een voorstel is gedaan tot een minnelijke schuldregeling (saneringskrediet of schuldbemiddeling) en één of meer schuldeisers dit voorstel hebben afgewezen, kan de gemeente de schuldhulpverlening beëindigen. In dat geval kan de schuldenaar bij de rechtbank een verzoek indienen tot een wettelijke schuldsaneringsregeling, de WSNP. Als de rechtbank het verzoek toewijst, legt hij deze regeling (meestal voor de duur van drie jaar) op aan de schuldenaar en aan de schuldeisers. De schuldenaar kan dit verzoek alleen indien als hij een verklaring aan de rechtbank kan overleggen waarin de gemeente verklaart dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een minnelijk schuldregeling te komen. WSNP bewind, Beschermingsbewind en budget beheer Er zijn twee soorten bewindvoering, WSNP bewind en beschermingsbewind. WSNP bewind kan worden ingesteld nadat een beroep op de minnelijke schuldregeling om wat voor reden dan ook niet het resultaat heeft gebracht waarop werd gehoopt. Wordt een schuldenaar (saniet) toegelaten tot de Wsnp, dan krijgt hij/zij een Wsnp-bewindvoerder door de rechtbank toegewezen. Beschermingsbewind Hier hoeft niet per se sprake te zijn van een wettelijk of minnelijk schuldsaneringstraject. Deze vorm van bewindvoering is er om, zoals het woord al zegt, volwassenen die niet (meer) zelfstandig financiële beslissingen kunnen nemen te beschermen. Budget beheer Naast bewindvoering is er ook mogelijkheid tot budget beheer. In tegenstelling tot bewindsvoering is budget beheer niet door de rechter opgelegd. Bij budget beheer worden afspraken gemaakt over de machtiging voor het afhandelen van financiële zaken. Daarnaast is het bij bewindvoering zo dat geldzaken uit handen worden gegeven en bij budget beheer hou je zelf inspraak. Kwaliteit bewindvoering Op landelijk niveau komt er steeds meer aandacht voor de kwaliteit en kosten van bewindvoering. Ook in Tholen heeft dit de aandacht. In verband met de hoge kosten voor bewindvoering en om de kwaliteitseisen te waarborgen wordt in deze nota een maatregel voorgesteld. Vanaf 2014 moeten beschermingsbewindvoerders aan kwaliteitseisen voldoen, zoals opleiding integriteit en bedrijfsvoering. De controle op het voldoen aan deze kwaliteitseisen is vanaf 2016 gecentraliseerd in het Landelijk Kwaliteitsbureau Curatoren, beschermingsbewindvoerders en Mentoren (CBM). Dit bureau beoordeelt voortaan of professionele bewindvoerders voldoen aan de wettelijke eisen. Ook verzoeken van nieuwe toetreders worden daar getoetst. Nazorg Na beëindiging van een succesvolle schuldregeling, neemt de Schuldhulpverlener binnen zes maanden telefonisch contact op met klanten. Tijdens dit gesprek wordt onder meer aan de klant gevraagd hoe het met hem/haar gaat, of er nog vragen zijn, of er nog schuldeisers zijn die de klant hebben benaderd en of de klant behoefte heeft aan extra ondersteuning. Deze extra ondersteuning is maatwerk. Recidive Omgang met recidive na een succesvol traject Schuldhulpverlening is in principe éénmalig. Het is niet de bedoeling dat er ongelimiteerd gebruik gemaakt wordt van deze ondersteuning. Dit zou het leereffect bij een schuldregeling ondermijnen én er voor zorgen dat onverantwoord bestedingsgedrag in stand wordt gehouden. Bovendien neemt de kans op een succesvolle minnelijke regeling bij recidivisten af, omdat schuldeisers vaak niet bereid zijn opnieuw medewerking te verlenen. Recidivisten worden gedurende een periode uitgesloten van schuldhulpverlening. Deze periode wordt vastgelegd in de nog vast te stellen beleidsregels schuldhulpverlening. De uitsluitingsgrond geldt vanaf de datum beëindiging van de minnelijke schuldhulphulpverlening, dan wel beëindiging van een WSNP-traject. Als het ontstaan van nieuwe schulden niet (volledig) aan de schuldenaar te wijten is of er is sprake van een gezin met minderjarige kinderen of andere bijzondere omstandigheden, kan van de uitsluitingsperiode worden afgeweken. Werkwijze bij Fraude Het is in principe niet de bedoeling dat schuldhulpverlening wordt aangewend om vorderingen te saneren die zijn ontstaan als gevolg van fraude ten koste van maatschappelijke middelen, omdat dit het draagvlak voor sociale voorzieningen ondermijnt. Er zijn echter situaties waarbij het toch wenselijk is om een frauderende schuldenaar te ondersteunen met schuldhulpverlening, om grotere maatschappelijke problemen en kosten te voorkomen. Sinds 1 januari 2017 is een nieuw artikel in de Participatiewet opgenomen dat het mogelijk maakt de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Er gelden dan wel twee voorwaarden: er is geen sprake van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding waarvoor de bestuurlijke boete is opgelegd, en binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd is niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging begaan. Het ondersteunen van inwoners met fraudeschulden is daarom altijd maatwerk.

Rechtspraak bij dit artikel