16.1.Een persoon als bedoeld in artikel 1.1.g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15.a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.
**16.2..** Een persoon als bedoeld in artikel 1.1.g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15.b. in aanmerking worden gebracht wanneer de in artikel 16.1. genoemde voorziening geen voldoende compensatie biedt of niet de goedkoopst adequate voorziening is.
**16.3..** Een persoon als bedoeld in artikel 1.1.g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15.c., d., e., en f. in aanmerking worden gebracht wanneer er geen passende woning op redelijke termijn beschikbaar is of de in artikel 16.2. niet de goedkoopst adequate voorziening is. Bovendien wordt bij beoordeling een afweging gemaakt tegen de eventuele achteruitgang bij het ontmoeten van andere mensen en het verliezen van sociale verbanden in de huidige directe woonomgeving.
**16.4..** Een persoon als bedoeld in artikel 1.1.g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15.g. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.