De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:

  • - de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van een beperking geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was, tenzij het college toestemming verleent voor verhuizing en de laatste verhuizing meer dan 7 jaar geleden is;
  • - de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
  • - deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;
  • - de aanvrager verhuisd is naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden;
  • - De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen dan wel verhuisd is vanuit een woonruime die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, voor zover de aangevraagde woonvoorziening een tegemoetkoming in verhuiskosten en inrichtingskosten betreft;
  • - er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of bouwtechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde woning;
  • - de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.