9.1. Een persoon als bedoeld in artikel 1.1.g., onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.1.a. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien:

  • - beperkingen of
  • - problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg

het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken.

9.2.. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van het bepaalde in artikel 9.1.