2.1 Inleiding
Zoals bij de inleiding is aangegeven, is bijzondere bijstand altijd maatwerk. Per aanvraag wordt beoordeeld of de kosten voor de betreffende inwoner en situatie noodzakelijk en bijzonder zijn. Om voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen moet de aanvrager aan een aantal basisvoorwaarden voldoen. Deze worden hierna toegelicht.
2.2Basisvoorwaarden
De Participatiewet vervult een complementaire functie in het sociale zekerheidsstelsel. Dit komt tot uitdrukking in artikel 15 Participatiewet, waarin wordt gesteld dat:
Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, toereikend en passend wordt geacht te zijn. En het recht op bijstand strekt zich niet uit tot kosten die in een voorliggende voorziening niet als noodzakelijk worden aangemerkt.
Onder voorliggende voorziening wordt, in artikel 5 onder e Participatiewet, verstaan:
Elke voorziening buiten deze wet waarop de persoon of gezin aanspraak kan maken of een beroep op kan doen, om middelen te verwerven om specifieke uitgaven te kunnen betalen.
Tot de voorliggende voorzieningen worden gerekend alle voorzieningen waarop door de inwoner een beroep kan worden gedaan. Denk hierbij aan studiefinanciering, kredietverlening door een bank en de zorgwetten; de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Afwegingsvragen bij de beoordeling van bijzondere bijstand
Is sprake van een rechthebbende inwoner? (artikel 11, 12 en 13 Participatiewet)?
Is sprake van noodzakelijke kosten? (artikel 14 Participatiewet)
Is er een toereikende voorliggende voorziening? (artikel 15 Participatiewet)
Kunnen de kosten worden voldaan uit het eigen inkomen?
Kunnen de kosten worden voldaan uit het vermogen? (voor zover dit meer is dan de vermogensgrens uit artikel 34 Participatiewet)
Kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige draagkracht?
Is sprake van op korte termijn voldoende middelen, tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, een waarborgsom, bijstand voor schulden of bijstand voor duurzame gebruiksgoederen?
Hoe hoog moet de te verlenen bijzondere bijstand zijn?
2.3 Moment van aanvragen
Op grond van artikel 44 van de Participatiewet wordt bijstand toegekend, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Dit betekent dat er geen sprake kan zijn van het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht. De aanvraag moet vooraf worden ingediend. De reden daarvan is dat de noodzaak voor bijstandsverlening achteraf niet vast te stellen is.
Voor de verlening van bijzondere bijstand kan het voorkomen dat er bijzondere omstandigheden zijn om hier van af te wijken. De bijzondere omstandigheden waarop de bijzondere bijstandsaanvraag betrekking heeft kunnen redenen zijn om artikel 44 niet toe te passen. Dit buitenwettelijk begunstigend beleid is toegestaan indien dit beleid op consistente wijze wordt toegepast.
Een aanvraag bijzondere bijstand kan, na het ontstaan van de kosten, geaccepteerd worden als:
aan de algemene voorwaarden voor bijzondere bijstand is voldaan; én
er nog niet voorzien is in de kosten; én
de noodzaak nog vast te stellen is; én
de aanvraag binnen 3 maanden na de datum waarop de kosten zijn opgekomen is ingediend.
Voor de volgende kosten kan geen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht worden toegekend:
verhuis- en/of inrichtingskosten;
kosten van babyuitzet;
opknapkosten;
duurzame gebruiksgoederen;
kosten waarvoor een medisch advies noodzakelijk is.
Bij kosten wordt geen uitzondering gemaakt op artikel 44 van de Participatiewet.
Ditzelfde geldt voor het deelnemen aan de collectieve zorgverzekering voor minima (het Univé Gemeentepakket).
2.4Inkomens – en vermogenstoets
Op grond van artikel 35 lid 1 van de Participatiewet kan de gemeente inkomensgrenzen vaststellen.
In Den Helder is de inkomensgrens vastgesteld op 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Voor de bepaling van het inkomen is artikel 22 a van de Participatiewet (kostendelersnorm) niet van toepassing.
Voor de vaststelling van de vermogensgrenzen wordt uitgegaan van artikel 34 van de Participatiewet.
2.5 Draagkracht
[vervallen]
2.6 Middelen
Inkomen
Bij de vaststelling van de draagkracht wordt uitgegaan van het inkomen van de maand waarin de aanvraag is ingediend, tenzij er sprake is van wisselende inkomsten.
Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen van de drie maanden voorafgaande aan de maand waarin de aanvraag is ingediend. Indien nodig (bij zeer sterk wisselende inkomsten) wordt deze periode verlengd tot twaalf maanden.
Bij de berekening van het inkomen wordt het volgende vrijgelaten:
de particuliere oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33 lid 5 van de Participatiewet;
de ten laste van belanghebbende blijvende kosten van verpleging of verzorging in een inrichting.
Als sprake is van een Wlz-geïndiceerde opname en terug ontvangst van een voedings- of andersoortig budget, omdat de belanghebbende zelf boodschappen doet, kookt of anderszins, dan wordt dit bedrag of budget niet als middel gezien en dus vrijgelaten.
Vermogen
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van het vermogen op de datum van aanvragen.
2.7 Draagkrachtperiode
Start
De draagkrachtperiode start op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstand wordt aangevraagd.
Bij een toekenning met terugwerkende kracht start de draagkrachtperiode per de eerste van de maand waarin de bijstand wordt toegekend.
Duur
De duur van de draagkrachtperiode wordt vastgesteld voor:
een periode van 12 maanden als sprake is van variabele inkomsten zoals inkomen uit of in verband met arbeid, alimentatie of uitkeringen (waaronder uit WW of ZW);
een periode van 36 maanden als sprake is van een vast inkomen zoals een (aanvullende) bijstandsuitkering, IOAW, IOAZ, Wajong, WIA of AOW al dan niet met een aanvullend pensioen.
Indien nodig kan afhankelijk van de situatie maatwerk toegepast worden.
2.8 Wijze van verstrekken
Bijstandsverlening kan op verschillende manieren plaatsvinden. In artikel 48 lid 1 van de Participatiewet is aangegeven dat bijstand “om niet” wordt verleend, tenzij in de wet anders is bepaald.
In het tweede lid van dit artikel is aangegeven dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht als:
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode alsnog in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
de aanvraag een door de inwoner te betalen waarborgsom is;
de bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.
Daarnaast is in artikel 51 lid 1 van de Participatiewet aangegeven dat bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag “om niet”.
Verstrekking als geldlening
Bijzondere bijstand wordt in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt wanneer:
het duurzaam noodzakelijke gebruiksgoederen betreft;
het niet de woninginrichting betreft als men voor de eerste keer zelfstandig gaat wonen;
men niet of niet voldoende heeft kunnen reserveren (bijvoorbeeld bij echtscheiding, vestiging als statushouder of bij calamiteiten) voor de duurzame gebruiksgoederen.
In het geval dat de aanvrager vermogen heeft in een woning die boven de vrijlating uitkomt, kan ook (bijzondere) bijstand worden verstrekt in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek.
Duur aflossing van de lening
Bij de verstrekking van leenbijstand wordt als uitgangspunt gehanteerd dat een cliënt gedurende 36 maanden aaneengesloten aflost op de lening. Hierbij gaat het om situaties waarbij een cliënt gedurende deze periode een bijstandsuitkering heeft ontvangen of een inkomen heeft gehad op bijstandsniveau.
Hoogte aflossingsbedrag bij cliënten op bijstandsniveau
Het aflossingsbedrag van leningen bedraagt 6% van de relevante bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag.
2.9 Beleid voor bepaalde kosten
Zoals aangegeven is bijzondere bijstand altijd maatwerk. Er kan dan ook geen uitputtende lijst van kosten soorten worden benoemd. Op basis van individuele omstandigheden wordt beoordeeld of kosten noodzakelijk en bijzonder zijn.
In de bijlage wordt een aantal kostensoorten benoemd waar regelmatig een beroep op wordt gedaan. Aangegeven wordt wat het beleid is. De bijlage maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van deze beleidsregel.
2.10 Armoedeval
Om de armoedeval tegen te gaan geldt voor inwoners die uitstromen uit een bijstandsuitkering een geleidelijke afbouw van de verstrekkingen uit het minimabeleid van de gemeente Den Helder.
Dit geldt uitsluitend voor de minima-voorzieningen Kindpakket, tegemoetkoming Jeugdfonds Sport en tegemoetkoming Jeugd Onderwijs en Cultuurfonds.
Dit betekent dat:
bij een inkomen tot 120% van de relevante bijstandsnorm er recht bestaat op 100% van de verstrekking;
bij een inkomen tot 125% bestaat recht op 75% van de verstrekking;
bij een inkomen tot 130% bestaat recht op 50% van de verstrekking;
bij een inkomen tot 135% bestaat recht op 25 % van de verstrekking;
bij een inkomen tot 140% bestaat recht op 10 % van de verstrekking en
bij een inkomen vanaf 140% bestaat er geen recht meer.
Deze regeling geldt alleen voor de eerste twee jaren na uitstroom.
Hoofdstuk
Artikel 2.