**1..** Het college ziet af van (verdere) invordering wanneer:
gedurende vijf jaar geen aflossingen aan een niet-verwijtbare vordering heeft gedaan en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment alsnog gaat verrichten;
De in onderdeel a genoemde termijn bedraagt 10 jaar indien sprake is van een verwijtbare vordering. Een extra voorwaarde hierbij is dat vaststaat dat er ook in de toekomst geen mogelijkheden zullen zijn om beslag op een inkomensbron te leggen;
Er geen sprake is van vermogen waarmee de vordering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan;
Alle zekerheden zijn uitgewonnen;
Ingeval artikel 13 Bbz bij de toekenning van toepassing was bedraagt de terugbetalingsperiode maximaal 10 jaar na beëindiging van de uitkering op grond van het Bbz. Deze termijn kan na schriftelijk verzoek met maximaal 3 jaar worden verlengd. Na het voldoen aan de afgesproken aflossingsbedragen kan het restant worden kwijtgescholden.
**2..** Het eerste lid wordt ambtshalve toegepast.
Hoofdstuk 3.
Artikel 18.
Afzien van verdere invordering - Bbz
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Doesburg 2020