het college stelt de aard, omvang en duur van de tegenprestatie vast, op basis van maatwerk waarbij de individuele mogelijkheden en omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde in acht worden genomen.
Uitgangspunt is dat de uitkeringsgerechtigde per week gemiddeld 8 uur werkzaamheden verricht in het kader van de tegenprestatie, tenzij er, naar het oordeel van het college, redenen zijn om een ander aantal uren vast te stellen.
Indien de uitkeringsgerechtigde slechts in beperkte mate activiteiten kan verrichten, worden specifieke afspraken gemaakt met betrekking tot de aard en de intensiteit van de tegenprestatie.
Is elke activiteit onmogelijk op grond van persoonlijke omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde, dan ontheft het college de uitkeringsgerechtigde, tijdelijk, van de verplichting tot het verrichten van de tegenprestatie naar vermogen op grond van artikel 9, tweede lid van de Participatiewet, artikel 37a, eerste lid van de IOAW, of artikel 37a, eerste lid van de IOAZ.
De duur van de verplichte tegenprestatie bedraagt zes maanden. Daarna wordt de duur verlengd me zes maanden als het college heeft vastgesteld dat de omstandigheden en de situatie van de uitkeringsgerechtigde verder onveranderd zijn gebleven.
Artikel 2.
Vaststelling tegenprestatie naar vermogen
Onderdeel van Beleidsregels tegenprestatie De Friese Meren