Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.
Het gelijktijdig met het terugvorderingbesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten:
de hoogte van (het saldo van) de vordering;
de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen;
de datum waarop de betalingsverplichting in gaat;
de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te treffen;
de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel;
de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden.
Van invordering wordt afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 100 en verrekening, een minnelijke regeling of derdenbeslag niet mogelijk is, behoudens indien er sprake is van een fraudevordering.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 8.
Algemeen
Onderdeel van Beleidsregels inzake terugvordering en verhaal