8.2.1 Beëindiging maatwerkvoorziening
[Jeugdwet, Wmo, PW]
1. De gemeente/BZJ kan een maatwerkvoorziening (in natura, geld of pgb) beëindigen als:
a. de maatwerkvoorziening niet langer passend of nodig is;
b. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de maatwerkvoorziening zijn verbonden;
c. de maatwerkvoorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;
d. de gemeente/BZJ niet langer kan vaststellen of een maatwerkvoorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de maatwerkvoorziening;
e. de maatwerkvoorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;
f. de inwoner niet binnen zes maanden gebruik heeft gemaakt van de maatwerkvoorziening, tenzij de inwoner dit tijdig meldt en dit de inwoner niet te verwijten valt. Als de inwoner binnen de termijn van zes maanden melding maakt bij de gemeente, stelt de gemeente bij een gegronde reden de termijn uit.
2. De maatwerkvoorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
8.2.2 Terugvordering voorziening
[Wmo, PW, Burgerlijk Wetboek]
De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 8.2.1.
Artikel 8.2
Beëindigen en terugvorderen maatwerkvoorziening
Onderdeel van Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2020