De wetgever beoogd met de wetswijzigingen geen bezuiniging, echter het financiële risico voor het verstrekken van Bbz-leningen komt grotendeels bij de gemeentes te liggen, in plaats van bij het Rijk. Daarnaast moet de gemeente de kredietverstrekkingen voorfinancieren, dit heeft dus invloed op de liquiditeitspositie van de gemeenten.
Kort samengevat:
Kosten levensonderhoud van gevestigde zelfstandigen wordt toegevoegd aan de gebundelde uitkering = Buigbudget;
Kosten voor levensvatbaarheidsonderzoeken wordt toegevoegd aan het gemeentefonds;
Kredietverstrekking moet worden voorgefinancierd door de Gemeenten;
Jaar T+1 wordt het bedrag van kredietverstrekking volledig vergoed door het Rijk;
In Jaar T+2 tot en met T+7 wordt dit bedrag voor 75% weer teruggevorderd, ongeacht aflossing c.q. rentebetalingen (20%-20%-15%-10%-10%);
Bij een juiste beoordeling inzake levensvatbaarheid en juiste begeleiding kan het ook een voordeel van 25% van de kredietverstrekking opleveren.
Kredietverstrekking aan binnenschippers wordt verlegd naar de gemeente waar de schipper woonachtig is c.q. feitelijke ligplaats is.
Gevolgen voor de gemeente
Wetswijziging geld alleen voor de gevestigde, oudere zelfstandigen en zelfstandigen die hun bedrijf beëindigen. Dit is een redelijk kleine groep.
In de laatste 2 jaren (2018 en 2019) zijn er geen kapitaalverstrekkingen toegekend, de jaren ervoor ook maar beperkt.
Over de groep binnenschippers is geen inzicht, omdat de laatste 5 jaren geen aanvragen zijn gedaan bij de centrumgemeente en er is geen registratie van het aantal binnenvaartschippers binnen onze gemeente grenzen.
Hierbij een overzicht van de gemaakte kosten over 2017 tot en met 2019 en de prognose voor 2020
Artikel 11