Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het
college, met inachtneming van artikel 20, vierde
lid Ioaw/Ioaz, voor onbepaalde duur een maatregel
op indien de belanghebbende door eigen toedoen een
inkomen uit of in verband met arbeid is verloren
en:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking
een dringende reden ten grondslag ligt in de zin
van artikel 68 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek; dan wel
de dienstbetrekking is beëindigd door of op
verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de
voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs
niet van hem zou kunnen worden gevergd.
De hoogte van de maatregel is gelijk aan het
door dit gedrag verloren netto inkomen
Het college heroverweegt een besluit als bedoeld
in het eerste lid binnen een door hem te bepalen
termijn die ten hoogste drie maanden
bedraagt.
Hoofdstuk 3
Artikel 12.
Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid
Onderdeel van Maatregelverordening Ioaw/Ioaz