Dit tarief is afgeleid van het tarief van 2010 en naar boven afgerond. Voor 2011 heeft geen indexering van het tarief plaatsgevonden. De hoogte van het bedrag is gebaseerd op het aantal uren dat is geïndiceerd.
Het PGB-tarief voor Hulp bij het Huishouden 1 (HH1) is vastgesteld op € 14 per uur voor ongeschoold werk en op € 16 per uur wanneer het uitgevoerd wordt door een professionele hulp via een instelling. Dit bedrag is, hoewel afgerond naar boven, gelijk aan het bedrag van 2010. Voor 2011 heeft geen indexering van het tarief plaatsgevonden. De hoogte van het bedrag van het PGB is gebaseerd op het aantal uren dat geïndiceerd is.
Het PGB-tarief voor Hulp bij het Huishouden 2 (HH2) is vastgesteld op € 18,60 per uur. Dit tarief is gelijk aan het tarief van 2010. Voor 2011 heeft geen indexering van het tarief plaatsgevonden. De hoogte van het bedrag van het PGB is gebaseerd op het aantal uren dat geïndiceerd is.
De hoogte van het PGB voor een bouwkundige woningaanpassingen/uitraasruimte is maximaal € 45.500,=.
De hoogte van het PGB voor het bezoekbaar maken van een woning is maximaal € 5.000,=.
De hoogte van het PGB voor roerende (losse) woonvoorzieningen (als genoemd in Hoofdstuk 6.10.2 van het Verstrekkingenboek) wordt gebaseerd op een normbedrag dat wordt bepaald aan de hand van de kosten van de goedkoopst adequate woonvoorziening (zo mogelijk uit het kernassortiment) onder aftrek van het kortingspercentage dat door de leverancier wordt geboden. Voor voorzieningen die buiten het kernassortiment vallen wordt de hoogte van het PGB beoordeeld aan de hand van één of meer offertes.
De hoogte van het PGB
voor rolstoelen (inclusief elektrische rolstoelen) wordt gebaseerd op een normbedrag dat wordt bepaald aan de hand van de kosten van de goedkoopst adequate (elektrische) rolstoel zo mogelijk uit het kernassortiment onder aftrek van het kortingspercentage dat door de leverancier wordt geboden. Voor (elektrische) rolstoelen die buiten het kernassortiment vallen wordt de hoogte van het PGB beoordeeld aan de hand van één of meer offertes.
individuele aanpassingen aan rolstoelen op basis van de goedkoopst adequate oplossing te beoordelen aan de hand van één of meer offertes.
Een cliënt kan een PGB worden toegekend ten behoeve van een sportvoorziening. Het PGB wordt vastgesteld op maximaal € 3.800, dat wil zeggen maximaal € 2.900 voor de aanschaf en voor een periode van 3 jaar een bedrag van € 300 per jaar voor de kosten van reparatie en onderhoud. Het PGB is bedoeld voor aanschaf, onderhoud, reparatie en evt. verzekering en wordt maximaal één maal per drie jaar verstrekt.
De hoogte van het PGB voor individuele vervoersvoorzieningen is als volgt bepaald:
een individuele vervoersvoorziening voor het gebruik van vervoer door derden van maximaal 1.500 km x € 0,10 (€ 0,28 onder aftrek van € 0,18 per kilometer die voor rekening komt van de cliënt) = € 150 per jaar.
een individuele vervoersvoorziening voor het gebruik van een taxi van maximaal 1.500 km, onder aftrek van € 0,18 per verreden kilometer die voor rekening komt van de cliënt = € 3.000 - € 270 = € 2.730 per jaar. En een individuele vervoersvoorziening voor het gebruik van een rolstoeltaxi van maximaal 1.500 km, onder aftrek van € 0,18 per verreden kilometer = € 3.445 - € 270 = € 3.175 per jaar.
een vervoersvoorziening voor een echtpaar voor het gebruik van vervoer door derden een gezamenlijke vervoersvoorziening van € 225 per jaar (150% van € 150 per jaar - zie onder a).
een vervoersvoorziening voor een echtpaar voor het gebruik van de taxi een gezamenlijke vervoersvoorziening van € 4.095 per jaar (150% van € 2.730 per jaar - zie onder b).
een vervoersvoorziening voor een cliënt aan wie ook een scootmobiel, aangepaste fiets of driewielfiets verstrekt is, een bedrag van 50% van € 150 = € 75 (zie onder a) per jaar of 50% van € 2.730 respectievelijk € 3.175 = € 1.365 respectievelijk € 1.587,50 per jaar (zie onder b).
voor kinderen tot 4 jaar wordt geen vervoerskostenvergoeding verstrekt, voor kinderen van 4 tot 12 jaar en van 12 tot 15 jaar wordt respectievelijk maximaal 50% en 75% van de maximale vergoeding verstrekt. Voor kinderen van 15 jaar en ouder geldt maximaal 100% van de maximale vergoeding.
Autoaanpassing: gebaseerd op basis van de goedkoopst adequate oplossing, te beoordelen aan de hand van één of meer offertes, waarbij de auto nog een technische levensduur heeft van tenminste 5 jaar. Het kan voorkomen dat er in verband met de autoaanpassing een andere auto aangeschaft moet worden. Een auto wordt in principe beschouwd als algemeen gebruikelijk. In sommige gevallen volstaat een standaard auto echter niet, waardoor er sprake kan zijn van meerkosten. In een aantal situaties kunnen deze meerkosten op grond van de Wmo vergoed worden. De eventuele meerkosten worden vastgesteld op het verschil tussen de kosten van de goedkoopst adequate auto volgens het programma van eisen en het totaal van de waarde van de referentie-auto en de opbrengst van de inruil van de “oude” auto. De referentie-auto is volgens het Besluit Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen een standaard type auto met standaard faciliteiten. De waarde van de referentieauto is € 16.900 (normbedrag referentieauto aanschafbedrag inclusief BTW 2010).
Scootmobiel: gebaseerd op het normbedrag op basis van het kernassortiment onder aftrek van het kortingspercentage door de leverancier geboden;
Door spierkracht voort te bewegen vervoermiddel (o.a. driewielfiets, duofiets) : gebaseerd op het normbedrag op basis van het kernassortiment onder aftrek van het kortingspercentage door de leverancier geboden;
De uitkomst, als bedoeld onder andere bij h en i, te vermeerderen met een vergoeding voor de kosten van instandhouding, dat wil zeggen keuring, onderhoud of reparatie van voorziening(en) en een eventuele verplichte verzekering. Voor niet-electrische voorzieningen van € 134 per jaar en voor electrische voorzieningen van € 384 per jaar.
Individuele aanpassingen ten behoeve van voorzieningen zoals genoemd in lid 8 onder h van dit artikel op basis van de goedkoopst adequate oplossing te beoordelen aan de hand van één of meer offertes.
Wanneer het inkomen van de aanvrager van een rolstoeltaxikostenvergoeding hoger is dan het norminkomen (zie bijlage I) dan bestaat er uitsluitend recht op een vergoeding van de meerkosten van de rolstoeltaxi. De meerkosten worden vastgesteld op het verschil tussen de vervoerskostenvergoeding voor een rolstoeltaxi en een gewone taxi (zie lid 8 sub b).
Hoofdstuk 4
Artikel 10
Vaststelling hoogte PGB
Onderdeel van Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning Opsterland 2011