Vorderingen worden als dit mogelijk is via verrekening met lopende uitkeringen geïncasseerd.
Vorderingen worden in één keer terugbetaald als dit mogelijk is.
Als verrekening en betaling in één keer niet mogelijk is, wordt aan de debiteur een betalingstermijn gegund, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:87 van Awb.
Op verzoek van de debiteur kan een betalingsregeling worden getroffen als terugbetaling in één keer binnen de gestelde termijn, gelet op de financiële omstandigheden van de debiteur, redelijkerwijs niet mogelijk is.
Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen als de debiteur beschikt over vermogen dat, gelet op de omstandigheden van de debiteur, redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden. Bij de bepaling van het vermogen kan artikel 34, tweede lid, Participatiewet buiten toepassing worden gelaten.
Bij betaling in termijnen moet in beginsel de vordering zoveel mogelijk naar draagkracht worden voldaan. Hierbij wordt rekening gehouden met een beslagvrije voet van 95% .
Bij het bepalen van de draagkracht is het inkomen op grond van artikel 31, tweede lid, Participatiewet van toepassing. Daarbij wordt de Individuele inkomenstoeslag niet tot het inkomen van de debiteur gerekend.
In de betalingsverplichting kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen.
Als de debiteur in gebreke blijft bij het volledige nakomen van de betalingsverplichting, wordt het besluit tot terugvordering wettelijk tot uitvoering gebracht.