1. Bijzondere bijstand is mogelijk voor de kosten voor het vervoer van het woonadres van de bezoeker (=belanghebbende) naar de inrichting waar de gedetineerde verblijft.
2. Het bezoeken van een gedetineerde wordt als noodzakelijk gezien als:
a. de gedetineerde behoort tot het gezin of familie van belanghebbende, en;
b. de inrichting buiten de gemeente is gelegen (maar binnen Nederland), en;
c. de bezoekfrequentie maximaal 2 keer per maand voor 1 persoon of 1 keer per maand voor 2 personen bedraagt. Bij een sociale of medische indicatie kan van dit aantal bezoeken worden afgeweken.
3. Onder gezins- of familieleden worden verstaan:
a. degenen, die tot het gezin behoren (dus ook eventuele pleegkinderen);
b. verdere familieleden in de eerste graad (ouders-kinderen);
c. in bijzondere gevallen (bijvoorbeeld bij ernstige ziekte) overige (tweede graad) familieleden.
4. De hoogte van de bijzonder bijstand is gelijk aan de tarieven openbaar vervoer 2e klasse voor het betreffende traject. Om die reden worden kinderen jonger dan 12 jaar, in voorkomende gevallen, geacht mee te reizen met de ouder.
5. Uitbetaling vindt plaats na overlegging van de vervoersbewijzen en/of de verklaring van de inrichtingen.
Hoofdstuk 2:
Artikel 21
Reiskosten bezoek aan gedetineerde
Onderdeel van Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Almelo 2020