Naar hoofdinhoud
De wettelijke basis voor het bouwveiligheidsplan zijn de Wabo en het Bouwbesluit 2012. Het bevoegd gezag heeft op basis van artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012 de mogelijkheid om – indien dit naar hun oordeel of vanuit de risicomatrix noodzakelijk is – van een bouwer/opdrachtgever een bouwveiligheidsplan te vragen. In paragraaf 5.8 leest u meer over de risicomatrix. In dat bouwveiligheidsplan moet door de aanvrager worden aangegeven welke risico’s er zijn en op welke wijze de gevolgen hiervan worden ondervangen. Indien de maatregelen naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende zijn dan, kunnen bij de bouw of sloop aanvullende voorwaarden worden gesteld. Indieningsvereisten bij een aanvraag omgevingsvergunning Het bouwveiligheidsplan maakt onderdeel uit van de indieningsvereisten bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning (Mor, artikel 2.2, lid 6). Wanneer het opstellen van een bouwveiligheidsplan voor het nemen van een beslissing over de aanvraag niet noodzakelijk is (naar de aard en omvang van de aanvraag) heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid de indiening hiervan achterwege te laten (Bor, artikel 4.4, lid 1 in samenhang met Awb, artikel 4.2, lid 2). Het Bouwbesluit 2012 biedt hiervoor de grondslag in artikel 8.7 "op aanwijzing van het bevoegd gezag". Als het bouwplan daar aanleiding toe geeft, kan het bevoegd gezag besluiten dat dit bouwveiligheidsplan na vergunningverlening, maar wel tenminste 3 weken voor uitvoering, mag worden ingediend (Mor, artikel 2.7, lid 3 in samenhang met Bor artikel 4.7). Wat zegt de Mor hierover? Artikel 2.2. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012: lid 6 Uit het oogpunt van het voorkomen van onveilige situaties en het beperken van hinder tijdens het bouwen: een bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012; Artikel 2.7. Uitgestelde indieningsvereisten15In samenhang met Bor artikel 4.7 omtrent het bouwen lid 3 Indien de aard van het bouwplan naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft, kan in de vergunning worden bepaald dat gegevens en bescheiden, genoemd in de artikelen 2.2, eerste lid, onderdelen c tot en met h, en tweede tot en met zesde lid, 2.3, onderdeel i, 2.4 en 2.5, binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd. Dit impliceert dat het bouwveiligheidsplan onderdeel is van de ontvankelijkheidstoets. Het bevoegd gezag moet dan wel in het aanvraagstadium invulling hebben gegeven aan Bb, art. 8.7, het vragen om een bouwveiligheidsplan, waarin de gegeven aanwijzingen zijn verwerkt. Wanneer het bouwveiligheidsplan vervolgens toch niet wordt ingediend, kan dit leiden tot een buiten behandeling stelling / het niet ontvankelijk verklaren van de aanvraag omgevingsvergunning16Dit moment is in de vergunningprocedure het enige “sturingsmoment” van het bevoegd gezag. Een buiten behandeling stelling / het niet ontvankelijk verklaren kan ook zijn dat het bij de aanvraag ingediende bouwveiligheidsplan onvoldoende waarborgen biedt dat vooraf inzichtelijk is gemaakt of een beoogd initiatief veilig en verantwoord- in zijn relatie tot de directe omgeving en de openbare ruimte - kan worden gerealiseerd. Complex hierbij is dat de ontvankelijkheidstoets alleen is bedoeld om de aanwezigheid van documenten te beoordelen en niet om deze inhoudelijk te beoordelen. Een niet-ontvankelijkheidsoordeel zou daarom juridisch kunnen worden aangevochten. Een bouwveiligheidsplan hoeft niet per sé door een uitvoerend bouwbedrijf te worden voorbereid. In het aanvraagstadium is een aannemer vaak nog niet in beeld. Het bouwveiligheidsplan, zoals dat in het aanvraagstadium moet worden voorgelegd, kan bestaan uit een hoofopzet en uitgangspunten (zoals bijv. genoemd onder Bb, art. 8,7.c), Dit plan kan op aanwijzing van het bevoegd gezag worden opgesteld door een ter zake deskundige. Op basis van dit uitgangspuntenplan kan een gedetailleerd veiligheidsplan voor de uitvoering worden gemaakt. Wat zegt het Bouwbesluit 2012? Artikel 8.1. Aansturingsartikel De uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden is zodanig dat voor de omgeving een onveilige situatie (......) zoveel mogelijk wordt voorkomen. Artikel 8.2. Veiligheid in de omgeving Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen. Artikel 8.7. Bouwveiligheidsplan De op grond van de artikelen 8.2 tot en met 8.6 te treffen maatregelen worden op aanwijzing van het bevoegd gezag vastgelegd in een bouwveiligheidsplan. Het plan bevat ter beoordeling door het bevoegd gezag: + b. (.....); indien een bouwput gemaakt wordt: de hoofdopzet van de verticale bouwputafscheiding en de bouwputbodem; de uitgangspunten voor een bemalingsplan; de uitgangspunten voor een monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken; Tot de hoofdopzet van de bouwput kunnen worden gerekend (niet limitatief): of in een open of gesloten bouwput gaat worden gewerkt; van welk materiaal de bouwputwanden gemaakt worden (damwanden, Berliner wanden, CSM- of diepwanden, e.d.); of de bouwputwanden uitwendig verankerd of inwendig worden gestempeld; of een eventuele verankering permanent of tijdelijk is (een eventuele uitwendige verankering dient in overleg met de eigenaar van het terrein, waarin verankerd wordt, te worden ontworpen); of de bouwputwanden permanent of tijdelijk zijn; hoe de bouwputwanden aangebracht gaan worden (wel of niet met trillingsrisico's); of de bouwput droog wordt gehouden door middel van bemaling of met een al dan niet kunstmatige bodemafsluiting; hoe de waterdichte afsluiting van de bouwputbodem wordt geregeld (natuurlijke lagen, onder-water-beton, verankeringen e.d.). Tot de uitgangspunten van een bemalingsplan kunnen worden gerekend (niet limitatief): wat de gewenste waterstandverlaging zal zijn; hoeveel water er per tijdseenheid bemalen moet worden om de gewenste verlaging te realiseren (dit in verband met een onttrekkingsvergunning); welke bouwwerken in de omgeving gemonitord gaan worden; de toezegging dat er een opnamerapportage van de onderhavige panden zal worden opgesteld; de toezegging dat er bij deze panden een nulmeting met betrekking tot zettingen uitgevoerd zal worden; op welke wijze eventuele zetting gemeten gaan worden (boutjes, 3D- meting, e.d.); op welke wijze eventuele trillingen gemeten gaat worden (o.b.v. SBR- richtlijn A: Schade aan bouwwerken); wat de maximale zettingen en/of relatieve rotaties en de maximale trillingen mogen worden; wat de procedure is bij overschrijding van zettings- of trillingsgrenzen. Tot de uitgangspunten van een monitoringsplan kunnen worden gerekend (niet limitatief): welke bouwwerken in de omgeving gemonitord gaan worden; de toezegging dat er een opnamerapportage van de onderhavige panden zal worden opgesteld; de toezegging dat er bij deze panden een nulmeting met betrekking tot zettingen uitgevoerd zal worden; op welke wijze eventuele zetting gemeten gaan worden (boutjes, 3D- meting, e.d.); op welke wijze eventuele trillingen gemeten gaat worden (o.b.v. SBR- richtlijn A: Schade aan bouwwerken); wat de maximale zettingen en/of relatieve rotaties en de maximale trillingen mogen worden; wat de procedure is bij overschrijding van zettings- of trillingsgrenzen. De formulering "op aanwijzing van het bevoegd gezag" impliceert, dat er aan het bouwveiligheidsplan onder meer projectgebonden inhoudelijke voorwaarden, met betrekking tot het gestelde in Bouwbesluit 2012 artikel 8.2 t./m 8.6, gesteld kunnen worden door het bevoegd gezag. Dit geldt zowel voor de verantwoording in aanvraagstadium (Mor, artikel 2.2) als voor de verdere uitwerking na vergunningverlening (Mor, artikel 2.7). In de omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag voorwaarden opnemen voor een verdere detailuitwerking, van het bij de aanvraag ingediende bouwveiligheidsplan. Welke aspecten van deze uitwerking onderdeel uitmaken van de indieningsvereisten, zoals omschreven in het Bouwbesluit artikel 8.7, lid c1 t/m c3 en welke na vergunningverlening kunnen worden ingediend, kan per project in overleg met het bevoegd gezag worden bepaald. Het verdient uit oogpunt van goede communicatie tussen bevoegd gezag en aanvrager/vergunninghouder echter de voorkeur om de in artikel 8.7 bedoelde aanwijzing zo concreet mogelijk te formuleren, bijv. in de nadere voorwaarde in de vergunning. Wat zegt het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)? De toekomstige opvolger van het Bouwbesluit 2012 is het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In de conceptversie juni 2017 van het Bbl is te lezen dat een aantal van de voorschriften uit hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012 zijn opgenomen in hoofdstuk 7 (artikelen 7.15 t/m 7.19) van het Bbl. Ten opzichte van het Bouwbesluit 2012 is er in deze versie niet langer één inhoudelijk artikel over het veiligheidsplan opgenomen. Uit de artikelen 7.8, 7.11, 7.13 en de indieningsvereisten bij de vergunning (op regelingsniveau) volgt echter wel dat in veel gevallen een veiligheidsplan dient te worden opgesteld. Uit een ambtelijk overleg tussen de VBWTN en BZK van 7 augustus 2017 heeft BZK aangegeven dat de “sturingsmogelijk” van bouw- en sloopveiligheid, zoals deze nu in het Bouwbesluit 2012 is opgenomen, ook onder de OW/Bbl op eenzelfde wijze mogelijk blijft. Volledigheid en aanvullingsverzoek Voor de regels met betrekking tot het opvragen van aanvullende gegevens bij een aanvraag om omgevingsvergunning moet worden gekeken naar artikel 4:5 van de Awb. Aantal keren aanvullende gegevens opvragen De Awb gaat ervan uit dat de aanvrager één keer in de gelegenheid wordt gesteld de gebrekkige aanvraag aan te vullen. Alleen als uit die gegevens naar voren komt dat alsnog bepaalde andere informatie nodig is kan alsnog een tweede keer informatie worden aangevraagd (zie verderop onder aanvullende activiteit).Indien de aanvraag niet voldoende wordt aangevuld kan de gemeente de aanvraag buiten behandeling stellen. Het staat de gemeente vrij om vervolgens nogmaals gegevens op te vragen, aangezien de Awb dit niet expliciet verbiedt. De gemeente kan het aanleveren van de tweede en volgende series van aanvullende gegevens niet afdwingen, op straffe van het buiten behandeling laten van de aanvraag. Indien de aanvrager niet vrijwillig de aanvullende gegevens aanlevert, zal de gemeente moeten beslissen op grond van de gegevens uit de aanvraag inclusief de eerste (of in uitzonderingsgevallen, dus een tweede) aanvulling. De vergunning kan dan niet worden geweigerd op grond van het niet beschikbaar zijn van de overige gegevens. Termijn De Awb kent geen termijn waarbinnen de gemeente aanvullende gegevens op mag vragen. De gemeente mag dus tot op de laatste dag van de fatale termijn nog aanvullende stukken opvragen. Hierbij moet vervolgens wel rekening worden gehouden met het feit dat direct na ontvangst van de gegevens (of deze nu juist zijn of niet) de termijn weer gaat ‘lopen’. De gemeente moet binnen die termijn hebben beslist, zo niet dan ontstaat in het geval van een reguliere procedure een omgevingsvergunning van rechtswege. Toetskader / weigeringsgrond bij een aanvraag omgevingsvergunning De weigeringsgronden voor een aanvraag omgevingsvergunning staat limitatief- imperatief genoemd in artikel 2.10 van de Wabo. Eén daarvan is het aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. LET OP: Wabo artikel 2.10, lid 1, sub a zegt nadrukkelijk dat het niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk voldoet aan de voorschriften een weigeringsgrond is. Men kan niet in redelijkheid stellen dat het ontbreken van het veiligheidsplan aan deze kwalificatie voldoet. Immers als aannemelijk is dat het bouwwerk kan voldoen (aan de overige toetskaders, zoals het bestemmingsplan, redelijke eisen van welstand, Bouwbesluit 2012 hoofdstuk 2 t/m 6) kan het bouwveiligheidsplan als nadere voorwaarde worden vermeld. Met de strekking tenminste 3 weken voor de bouwstart een bouwveiligheidsplan ter goedkeuring overleggen, zo niet, een bouwverbod.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel