Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 7.5

Bijgebouwen en overkappingen

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Albrandswaard houdende regels omtrent de Welstandsnota

Omschrijving en uitgangspunten Een bijgebouw of overkapping is een grondgebonden gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, van één bouwlaag. Een bijgebouw staat los (of een aanbouw niet toegankelijk vanuit de woning) op het erf van het hoofdgebouw en is meestal bedoeld als schuur, tuinhuis, of garage. De overkapping staat los op het erf of tegen het hoofdgebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als bijgebouwen en overkappingen zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, zijn ze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een bijgebouw of overkapping aan de achterkant (achtererf of zijerf als deze niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen). De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van de bijgebouwen en overkappingen: materialen en kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd op die van het hoofdgebouw, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dakoverstekken of versieringen. Bijgebouwen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting. Een belangrijk kenmerk van een overkapping is de transparantie. Overkappingen mogen niet met wanden worden dichtgezet. Bijgebouwen of overkappingen die contrasteren met het hoofdgebouw zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Criteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant of aan de zijgevel (gericht naar de openbare weg) Een bijgebouw of overkapping aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. Een bijgebouw of overkapping op het voorerf is altijd van grote invloed op het straatbeeld. Deze bijgebouwen of overkappingen zullen dan ook altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. algemeen: wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor geen secundaire overkapping plaatsing en aantal: geen bijgebouw of overkapping voor de voorgevellijn afstand tot voorgevellijn minimaal 2.00 m. afstand tot erfgrens minimaal 1.00 m. tenzij bijgebouw wat betreft materialisering is geïntegreerd in erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk en/of hetzelfde materiaal). Indien in het bestemmingsplan een andere afstand wordt voorgeschreven, dient die afstand te worden aangehouden. voor vrijstaande bijgebouwen afstand tot gevels hoofdgebouw (woning) minimaal 3.00 m. Ingeval van meerdere bijgebouwen en/of overkappingen op een erf, eenduidige materialisering en kleurgebruik. maatvoering: oppervlakte voor- en zijerf niet meer dan 50% bebouwen. Indien in het bestemmingsplan een ander bebouwingsoppervlak wordt voorgeschreven, dient die oppervlaktemaat te worden aangehouden. vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open. plat indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek en boeiboord van ca. 25 cm. en ornamenten materiaal en kleur: materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen golfplaat, betonplaten of damwandprofielen of daarmee vergelijkbaar materiaal. bij integratie met erfafscheiding materiaal- en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk of beide hetzelfde materiaal) geen te transparante bijgebouwen aan de voorkant (serres, kassen) Criteria voor bijgebouwen en overkappingen aan de achterkant en zijgevel niet aan de openbare weg Een bijgebouw of overkapping aan de achterkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande sneltoetscriteria wordt voldaan. Voldoet een bijgebouw of overkapping niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria dan kan de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd. In geval van een beschermd monument of een beschermd stads of dorpsgezicht zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: wanneer uit de tabel op pagina 2 van dit hoofdstuk blijkt dat voor het gebiedstype waarin het bouwplan is gelegen gebiedsgerichte sneltoetscriteria opgesteld zijn, dan moet tevens daaraan getoetst worden. Deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria zijn opgenomen bij het betreffende gebiedstype (hoofdstuk 5). Wanneer er sprake is van strijdigheid tussen de gebiedsgerichte sneltoetscriteria en deze algemene sneltoetscriteria zoals hierna beschreven, dan gaan de gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld aan een reeds bestaande aan, uitbouw of bijgebouw) plaatsing en aantal: afstand tot voorgevellijn minimaal 2.00 m. Indien in het bestemmingsplan een andere maatvoering wordt voorgeschreven, dient die maatvoering te worden aangehouden. afstand tot erfgrens minimaal 0.50 m. (achter erfafscheiding) tenzij bijgebouw wat betreft materialisering is geïntegreerd in erfafscheiding (bijvoorbeeld beide metselwerk of beide hetzelfde materiaal). Indien in het bestemmingsplan een andere maatvoering wordt voorgeschreven, dient die maatvoering te worden aangehouden. afstand tot gevels hoofdgebouw minimaal 2.00 m. voor bijgebouwen Ingeval van meerdere bijgebouwen en/of overkappingen op het erf, eenduidige materialisering en kleurgebruik. maatvoering: hoogte maximaal 3.00 m. gemeten vanaf het aansluitend terrein. Indien in het bestemmingsplan een andere maatvoering wordt voorgeschreven, dient die maatvoering te worden aangehouden. bij toepassing van een zadeldak goothoogte maximaal 3.00 m. en nokhoogte maximaal 2.00 m. boven de goothoogte (bij toepassing van zadeldak goothoogte maximaal 3,00 m. en nokhoogte maximaal 5,00 m.) gemeten vanaf het aansluitend terrein Oppervlakte zij- en achtererf niet meer dan 50% bebouwen. Indien in het bestemmingsplan een ander bebouwingsoppervlak wordt voorgeschreven, dient die oppervlaktemaat te worden aangehouden. vormgeving: vormgegeven in één bouwlaag overkapping met maximaal twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open. plat afgedekt of desgewenst een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, -helling en nokrichting geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek en boeiboord van ca 25 cm en ornamenten materiaal en kleur: materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw of afgestemd op tuinkarakter (metselwerk of hout). Geen betonplaten of damwandprofielen in het zicht of daarmee vergelijkbaar materiaal gevels bijgebouw bestaan uit maximaal 75% openingen en/of glasvlak geen te transparante bijgebouwen aan de voorkant (serres, kassen) Balustrades Voorzover het bestemmingsplan het aanbrengen van een balustrade toestaat, dient deze zo neutraal als mogelijk te worden uitgevoerd, bij voorkeur een rank stalen spijlenhek, teruggeplaatst op het dak, in een donkere en gedekte kleurstelling (zwartgrijs of antracietgrijs). De balustrade dient achter de achtergevellijn te worden geplaatst, met als uiterste grens minimaal drie meter achter de voorgevel indien sprake is van gevelopeningen in de zijgevel. De balustrade mag niet hoger zijn dan 1 m. Indien bij het zelfde bouwblok reeds balustrades zijn aangebracht, dient de balustrade daaraan te worden aangepast teneinde een uniform beeld te verkrijgen.

Rechtspraak bij dit artikel