Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.3

Rijksbeleid

Onderdeel van Beleid grootschalige zonne- en windenergie in de Kempen

Om tot een duurzame energiehuishouding te komen heeft het toenmalige Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (min. EL&I) in het energierapport (2011) vastgelegd te willen investeren in duurzame energie. Dit heeft onder andere geresulteerd in de doelstelling om in 2020 minstens 6.000 Megawatt (MW) aan windenergie op land te hebben staan. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft het Rijk aan dat de overgang naar duurzame energie om meer ruimte vraagt. Om te waarborgen dat er in Nederland voldoende ruimte wordt gereserveerd voor windenergie, zijn in samenwerking met de provincies kansrijke gebieden aangewezen. Dat is gebeurd op landschappelijke en natuurlijke kenmerken enerzijds en het windaanbod anderzijds. In het SER Energieakkoord van september 2013 zijn de doelen nog eens bevestigd en vastgelegd. In de Structuurvisie Wind op Land is - na overleg met de provincies - ook een doelstelling opgenomen voor de hoeveelheid gerealiseerd vermogen per provincie in 2020. De provincie Noord-Brabant heeft een opgave van 470,5 MW opgesteld vermogen in 2020. Uit de Monitor Wind op Land 2017 valt op te maken dat de provincie verwacht deze doelstelling te halen in de loop van 2021/2022. Voor grootschalige zonneparken is geen nationaal beleid. Wel kan gezegd worden dat met zonneparken invulling wordt gegeven aan enkele doelstellingen die zijn opgenomen in het Nationaal Energieakkoord dat door tientallen partijen, waaronder de vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) is ondertekend. Het gaat dan om de volgende doelstellingen: Opschalen van hernieuwbare energieopwekking Stimuleren van decentrale duurzame energie Inmiddels is er ook een nationaal Klimaatakkoord. Het klimaatakkoord is op 28 juni 2019 gepresenteerd. Het hierin genoemde doel is om ten minste 35 TWh aan hernieuwbare energie op land te realiseren in 2030. Ook hier zullen decentrale overheden een rol in krijgen, al zal de invulling waarschijnlijk techniekneutraal zijn. Techniekneutraal betekent dat er geen specifieke techniek is voorgeschreven om het doel aan hernieuwbare energie op land te realiseren. De uitwerking van deze doelstelling van 35 TWh zal uitgevoerd worden in de regionale energiestrategieën (RES ). Om aan de ambitieuze doelstelling voor hernieuwbare energie op land te voldoen zullen windenergie en zonne-energie de komende jaren behoren tot de meest kosteneffectieve wijzen om hernieuwbare energie te produceren. Op moment van schrijven van dit beleids- en toetsingskader is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in voorbereiding (de ontwerp-NOVI en het daarbij behorende planMER lagen van 20 augustus t/m 30 september 2019 ter inzage). Deze omgevingsvisie zal op termijn de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangen. Over duurzame energie zegt de NOVI: “We realiseren de opgave van duurzame energie met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies. Voor de inpassing op land van de opgave voor duurzame energie worden regionale energiestrategieën opgesteld.” Daarnaast wordt in de NOVI de voorkeur uitgesproken voor grootschalige clustering (windturbines, eventueel in combinatie met zonnevelden), mits bewoners echt goed betrokken zijn, invloed hebben op het gebruik en waar dat kan meeprofiteren in de opbrengsten. Verder is er voor zonnepanelen (panelen met Photovoltaïsche cellen) een ‘voorkeursvolgorde’ genoemd: voorkeur voor zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen. Daarna onbenutte terreinen in bebouwd gebied. Hoewel natuur- en landbouwgebieden niet worden uitgesloten, ligt de voorkeur bij gronden met een andere primaire functie dan landbouw of natuur, zoals waterzuiveringsinstallaties, vuilnisbelten, binnenwater en areaal in beheer van het Rijk, waaronder waar mogelijk bermen van spoor- en autowegen. De ruimtelijke afweging over windparken is volgens de Wet ruimtelijke ordening een verantwoordelijkheid van de provincies (5-100MW) en de gemeenten (<5MW). Voor windparken van tenminste 100 MW is de Rijks-coördinatie regeling van toepassing vanwege het nationale belang (conform de Elektriciteitswet 1998). Voor windparken van deze omvang, vormt de Structuurvisie windenergie op land het ruimtelijke toetsingskader. Het Rijk is dan bevoegd gezag. De gemeente verleent de omgevingsvergunning voor grondgebonden zonneparken. Als de installatie minder dan 50 MW is stelt het Rijk geen voorwaarden. Op 28 mei 2019 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de motie Faber, waarin is vastgelegd dat nieuwe zonneparken moeten worden getoetst aan de nationale zonneladder (die nog moet worden opgeleverd). In paragraaf 5.3.2 wordt verder uiting gegeven aan een Kempische zonneladder.

Rechtspraak bij dit artikel