Op basis van de milieueffecten (zoals beschreven in het PlanMER), alsook de input vanuit ophaalsessies in de Kempen en politieke wensen is een voorkeursalternatief bepaald, waarin voor windturbines enkele voorkeursgebieden zijn aangewezen.
Landschappelijk heeft deze strategie van concentratie het voordeel dat een groot deel van de Kempengemeenten gevrijwaard blijft van windparken. Daar staat wel een grotere landschappelijke belasting ter plaatse van de voorkeursgebieden tegenover, zoals beschreven in het planMER.
In verband met de radarverstoring binnen de 500-voetszone zijn concentratiegebieden niet overal kansrijk. Per ontwikkellocatie binnen de 500-voetszone is aanvullend onderzoek nodig naar de effecten op het radarsysteem. Het is niet mogelijk om dit onderzoek op gebiedsniveau uit te voeren. Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van concrete opstelpunten. Voor alle locaties binnen de Kempengemeenten is een verklaring van geen bezwaar van het Ministerie van Defensie benodigd.
5.4.1Ruimte voor windenergie
De Kempengemeenten bieden mogelijkheden voor het ontwikkelen van windparken, met name binnen de aangewezen voorkeursgebieden. Hierbij is de wens om de uitrol van windenergie gefaseerd te doorlopen. Voordeel hiervan is dat vroege ervaringen in latere projecten gebruikt kunnen worden.
Op basis van de uitkomsten uit het uitgevoerde haalbaarheidsonderzoek d.d. 16 oktober 2018 zijn in het planMER 53 mogelijke projectlocaties voor windenergie onderzocht. In het planMER is zowel een thematische toetsing op grond van leefbaarheid, natuur en infrastructuur uitgevoerd als een gebiedsgerichte toetsing. Hieruit blijkt dat niet alle lijnen even geschikt zijn om tot ontwikkeling te komen.
Er zijn drie voorkeursgebieden aangewezen voor windparken (zie Figuur 10). Buiten deze voorkeursgebieden heeft de ontwikkeling van windparken niet de voorkeur, maar is ook niet helemaal uitgesloten.
Er is bewust voor gekozen om in het beleid- en toetsingskader geen indicatieve lijnen in te tekenen, zowel binnen als buiten de voorkeursgebieden. Het ontwerp van windparken moet in overleg met de omgeving tot stand komen en het is niet wenselijk om op voorhand al te veel te sturen. De milieueffecten van de windparklocaties zoals die in het planMER zijn onderzocht zijn een belangrijke basis voor de nadere beoordeling van de geschiktheid van parkontwerpen. Daarnaast geeft de inschatting van de energieproductie van de windparklocaties inzicht in de potentiële bijdrage aan de duurzaamheidsdoelstelling.
De gemeenteraden zijn autonoom bevoegd om binnen hun eigen grondgebied te besluiten welke locaties op welk moment tot ontwikkeling komen. Ook stelt de gemeenteraad met dit beleid dat voor ieder windpark een projectMER opgesteld moet worden.
Naast de energietransitie maken de raden ook een afweging van de thema’s transitie landelijk gebied, economie en mobiliteit. Hieruit volgt dat niet alle mogelijke windlocaties daadwerkelijk tot ontwikkeling komen.
Figuur 10. Beleidskaart windenergie
Het projectvoorstel toont duidelijk de ligging en begrenzing van een projectgebied, met daarbinnen een overzicht van de geplande opstelpunten, voorzien van een onderbouwing waarom de betreffende locatie past binnen het beleids- en toetsingskader.
5.4.2Inrichting en landschappelijke impact
Windparken moeten worden ontworpen met respect voor de bestaande landschappelijke kwaliteiten. Voor windparken is in mindere mate sprake van landschappelijke ‘inpassing’ dan bij zonneparken, in die zin dat het park niet aan het oog onttrokken kan worden. Daarom is het parkontwerp belangrijk (de ligging van de windturbines ten opzichte van elkaar, van landschappelijke structuren en van andere windparken).
Hoe groter de windturbines, des te meer zij bijdragen aan de duurzaamheidsdoelstelling, hoe lager de kostprijs van de geproduceerde elektriciteit en hoe minder windturbines er nodig zijn. Grotere windturbines zijn van grotere afstand zichtbaar. Doordat er echter minder windturbines nodig zijn om dezelfde energieproductie te bewerkstelligen nemen de negatieve milieueffecten niet evenredig toe. Daarnaast zijn grote windturbines vaak juist stiller dan kleinere en de rotatie van de wieken is rustiger. Daarom geven de Kempengemeente de voorkeur aan grote windturbines, met een minimale rotordiameter van 120 meter.
Het projectvoorstel geeft inzicht in het parkontwerp (aantal, locatie en afmetingen) van het windpark en gaat daarbij in op de koppeling met bestaande landschappelijke structuren, de invloed op lokale landschappelijke kernkwaliteiten en de afstand tot bestaande of geplande andere windparken.
Bij de ontwikkeling van windparken geldt dat ter voorbereiding op een omgevingsvergunningaanvraag een landschappelijk ontwerp moet worden opgesteld waarin wordt aangesloten bij de beschrijving van kwaliteiten uit het planMER. De beschrijving van de landschappelijke impact die in het projectvoorstel is opgenomen kan als uitgangspunt dienen van dit landschappelijk ontwerp. Het landschappelijke ontwerp moet ook ingaan op de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de omgeving waarin het windpark gepland is.
In het landschappelijk ontwerp gaat de ruimtelijke kwaliteit niet om ‘mooi’, maar om ‘goed’. Dit omvat de drie waarden van Vitruvius:
Gebruikswaarde: de functionele kwaliteit van het project.
Belevingswaarde: de inpasbaarheid in de omgeving.
Toekomstwaarde: de vraag of het project de ruimtelijke gevolgen van veranderende omstandigheden kan opvangen
Het projectvoorstel geeft inzicht in de gebruikswaarde, de belevingswaarde en toekomstwaarde in relatie tot het landschap.
5.4.3Optimalisatiemogelijkheden
Voor windparklocaties geldt dat initiatiefnemers, mede aan de hand van de informatie uit het planMER, tot een ontwerp van een windpark moeten komen waarbij een optimum wordt gezocht tussen enerzijds de energieproductie en benutting van een locatie voor windenergie en anderzijds de bescherming van het woon- en leefklimaat van inwoners, bescherming van andere beleidsthema’s, bijvoorbeeld natuur- en landschapswaarden en behoud en bescherming van recreatie. De lijnen uit het planMER moeten gezien worden als een indicatieve inrichting, die niet bedoeld zijn als voorschrift voor een parkontwerp.
Het projectvoorstel geeft inzicht in de optimalisatiemogelijkheden op de projectlocatie en afstemming met projectlocaties in de omgeving. De productieomvang van de projectlocatie wordt aangeduid en beargumenteerd wordt wat de relatie is met de omgeving .
Hoofdstuk 5
Artikel 5.4
Windenergie
Onderdeel van Beleid grootschalige zonne- en windenergie in de Kempen