Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.3

Zonne-energie

Onderdeel van Beleid grootschalige zonne- en windenergie in de Kempen

Mede op basis van het planMER is bepaald aan welke ontwikkelingen op het gebied van zonne-energie ruimte wordt geboden en met welke voorwaarden rekening gehouden moet worden bij de voorbereiding van concrete projecten. Deze voorwaarden verschillen per landschapstype en zijn gebaseerd op de landschappelijke beoordeling in het planMER. 5.3.1Ruimtelijke strategie zonneparken Op basis van de landschappelijke analyse in het planMER wordt voor zon-neparken een ruimtelijke strategie gevolgd die bestaat uit realisatie van grote zonneparken binnen de jonge zandontginningsgebieden, eventueel aangevuld met middelgrote zonneparken in de oude zandontginningsge-bieden. In alle gevallen moet rekening worden gehouden met de lokale draagkracht van het landschap. De beoordeling vindt plaats op basis van de volgende criteria: Karakteristiek Bestaande structuren en patronen Cultuurhistorische waarden Zichtbaarheid Aantasting door verdichting Maat en schaal Mitigerende maatregelen Voorliggend beleid en toetsingskader is van toepassing op grootschalige zonneparken. Hieronder verstaan we alle grondgebonden zonneparken waarvoor een aanpassing nodig is van het bestemmingsplan. Binnen de grootschalige zonneparken onderscheiden we drie omvangniveaus: Grote zonneparken (met een omvang van 10 hectare of meer) zijn alleen toegestaan in de jonge zandontginningsgebieden, omdat dit het enige landschapstype is waar grote aaneengesloten ruimtes voorkomen. Deze grens van 10 hectare volgt uit de landschappelijke beoordeling die is uitgevoerd in het kader van het Plan-MER. Middelgrote zonneparken (met een omvang van 2 tot 10 hectare) zijn inpasbaar in de oude zandontginningslandschappen. In dergelijke landschappen zijn grootschalige zonneparken niet inpasbaar, maar leent het landschap zich wel voor inpassing van middelgrote parken. Locatiegebonden (met een omvang van minder dan 2 hectare) worden bij voorkeur toegestaan op en ten grootte van agrarische bouwblokken en bedrijfslocaties, alsook op de plaats van te slopen voormalige bedrijfsgebouwen. Zie voor de genoemde landschapstypen het planMER. Figuur 8 toont waar grote en middelgrote zonneparken mogelijk zijn en waar zonneparken in principe niet gewenst zijn. Figuur 8. Beleidskaart zonneparken Naast de energietransitie spelen meer thema’s een rol in het landschap (bijvoorbeeld transitie landelijk gebied, economie en mobiliteit). In iedere individuele Kempengemeente worden projectvoorstellen voor grootschalige energieopwekking met zonne- en windenergie afgewogen tegen andere beleidsthema’s. Mede op basis van andere thema’s worden door de individuele Kempen-gemeenten gebieden opengesteld voor zonneparken binnen de kaart zoals getoond in Figuur 8. Dat betekent dat initiatiefnemers altijd moeten nagaan welke gebieden opengesteld zijn of worden. Zie ook paragraaf 4.2. Toelichting o.b.v. de landschappelijke beoordeling Jonge zandontginning: grootschalige open gebieden met een rationele indeling met rechte kavels en wegen welke zich goed lenen voor grootschalige zonneparken. In dit gebied is een grootschalige aanpak mogelijk. Er kan gekozen worden voor een aantal geconcentreerde clusters in of tegen de jonge bossen aan, waardoor visueel de bossen vergroot worden. Hiervoor kunnen het beste gebieden ingezet worden waar de aantasting van de karakteristiek van beekdalen of oude zandontginningen minimaal is en waar verdichting een minimale aantasting van de karakteristiek van het landschap is. Oude zandontginning: middelgrote zonneparken kunnen gekoppeld worden aan de dorpen, met hier en daar een los zonnepark in de tussenliggende gebieden. Maatwerk is van belang omdat het landschap heel divers is vanwege de beken, oude akkercomplexen en historische structuren. Er zijn veel erven (aan de linten) waaraan een kleinschalig zonnepark gekoppeld kan worden, dat volledig kan worden ingepast met erfbeplanting Zonneparken in principe niet wenselijk: uit het planMER volgen gebieden waar zonneparken vanuit wet- en regelgeving niet mogelijk zijn. Daarnaast blijkt uit de landschappelijke beoordeling dat bepaalde gebieden niet geschikt zijn (beekdalen, landgoederen, Cartierheide en het oude zandlandschap van Oerle-Knegsel. Militair oefenterrein: het militaire oefenterrein Oirschot valt buiten de reikwijdte van het beleids- en toetsingskader. Bebouwde kom: locatiegebonden zonneparken binnen de bebouwde kom zijn mogelijk op basis van de uitgangspunten van de zonneladder (paragraaf 5.3.2). Het projectvoorstel beschrijft de omvang van het zonnepark, het landschapstype waarin het gelegen is, en toont duidelijk de ligging en begrenzing van een projectgebied, voorzien van een onderbouwing waarom de betreffende locatie past binnen de ruimtelijke strategie zonneparken in dit beleids- en toetsingskader en de ‘openstelling’ van een gebied. 5.3.2Zonneladder Binnen de aangewezen gebieden geldt dat de Kempengemeenten een voorkeursvolgorde hanteren in de vorm van een zonneladder. Deze volgorde houdt in dat de gemeente voorrang verleent aan gunstiger gelegen plannen (zie Tabel 1). Het projectvoorstel beschrijft onder welke trede van de zonneladder het voornemen valt. Indien de projectlocatie ligt binnen trede 4, beschrijft het projectvoorstel welke inzet is gepleegd om de treden 1 t/m 3 van de zonneladder te realiseren. Ook beschrijft het projectvoorstel de manier waarop invulling wordt gegeven aan de inspanningsverplichting tot het realiseren van zon op dak of het verwijderen van een VAB-locatie. Trede Naam Toelichting 1 Zon op dak De ontwikkeling van zon op dak en andere bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het beleid en toetsingskader. Wel geldt een verplichting voor initiatiefnemers binnen trede 4 en 5 om extra zon op dak te ontwikkelen. 2 Braakliggende grond en pauzelandschappen (Voormalige) stortplaatsen, parkeerplaatsen etc. De maximale potentie van dergelijke gebieden is gering: als dergelijke gronden volledig worden benut draagt dit slechts bij voor minder dan 1% van de doelstelling. 3 Langs grootschalige infrastructuur en op water (geen natuur) De maximale potentie van dergelijke gebieden is gering (minder dan 1% van de doelstelling), maar deze gebieden hebben wel de voorkeur boven agrarische grond. 4 Agrarische gronden In dit BTK nader onderverdeeld in: 4a Agrarische gronden onder/nabij windparken Vanuit het uitgangspunt van concentratiegebieden zijn gecombineerde zonne- en windparken een wenselijke ontwikkeling. Dubbel ruimtegebruik zorgt ervoor dat andere gebieden gevrijwaard kunnen blijven. Een ander voordeel is een mogelijke gezamenlijke aansluiting op het elektriciteitsnet. 4b Agrarische gronden aangrenzend aan bestaande bedrijvenparken en industrieterreinen Zonnevelden hebben een industriële uitstraling en passen daarom goed in en direct aangrenzend aan een industrieel landschap. 4c Overige agrarische grond Hoewel zonneparken op agrarische gronden zeker ook nadelen hebben realiseren de Kempengemeenten zich dat deze gronden grote potentie voor duurzame energieopwekking hebben en dus een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het halen van de doelstelling. Een initiatiefnemer zal een onderbouwing moeten geven waarom de betreffende agrarische gronden onttrokken worden aan de landbouw om te voorkomen dat optimale landbouwgronden voor zonneparken worden ingezet. Ruilverkaveling kan onderdeel uitmaken van het projectvoorstel. 5 In natuurgebieden De Kempengemeenten geven de voorkeur aan het opwekken van duurzame zonne- en windenergie buiten beschermde natuurgebieden. Uitzondering hierop is het ontwikkelen van zonneparken in nog te realiseren natuurgebieden, waarbij de baten van het zonnepark gebruikt worden om de locatie op termijn om te vormen tot natuur. In ontwikkelde natuurgebieden mogen nadrukkelijk geen zonnevelden worden ontwikkeld. Tabel 1Zonneladder grootschalige zonneparken in de Kempen. 5.3.3Realisatie zon op dak Bij de ontwikkeling van zonneparken in trede 4 en 5 van de zonneladder (op agrarische gronden en nog te ontwikkelen natuur) moet een percentage van het oppervlakte van het betreffende zonnepark ook op daken worden gerealiseerd. Het is aan de initiatiefnemer hoe zij dit doen. Dat kan door zon op dak te ontwikkelen of door bijvoorbeeld een ontzorgingsmodel op te zetten voor dak-eigenaren. Het projectvoorstel toont aan hoe en hoeveel zonnepanelen op dak worden gerealiseerd, als aanvulling op het grondgebonden zonnepark. 5.3.4 Landschappelijke inpassing Alle zonneparken moeten worden ontworpen met respect voor de bestaande landschappelijke kwaliteiten. In meeste gevallen betekent dit dat het zicht op zonneparken moet worden voorkomen door het creëren van dichte randen. In andere gevallen is het creëren van dichte randen ongewenst vanwege de bestaande openheid. Hier kan juist weer een lagere bouwhoogte worden voorgeschreven. De realisatie van de landschappelijke inpassing moet aantoonbaar binnen een realistische termijn volledig zijn uitgevoerd. De bestaande landschappelijke kwaliteiten zijn beschreven in het planMER.5 Met name in de Landschappelijke Beoordeling (bijlage A bij het MER). Bij zowel de ontwikkeling van grote als middelgrote zonneparken geldt dat het projectvoorstel vergezeld moet gaan van een landschappelijk ontwerp. Onderbouwd moet worden welke bouwhoogte wordt aangehouden, op welke wijze is aangesloten bij gebiedseigen randen en of beplanting/onderbegroeiing wel of niet passend is. De landschappelijke onderbouwing in het projectvoorstel kan vervolgens worden uitgebreid tot een onderbouwing van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan, een bestemmingsplanwijziging en/of vergunningaanvraag. Indien het zonnepark een dubbelfunctie heeft, moet deze in het projectvoorstel worden beschreven (bijvoorbeeld agrarisch gebruik, waterberging, overkapping parkeerterrein). 5.3.5 Ecologie Elk project moet getoetst worden aan de Wet natuurbescherming waarbij aandacht is voor specifieke doelsoorten. Indien uit deze toetsing blijkt dat negatieve effecten van het project beperkt zijn kan op dit onderdeel medewerking aan het plan verleend worden. Bepaalde gebieden binnen de Kempengemeenten kennen een hoge concentratie aan akker- en weidevogels (zie Figuur 9, meer informatie is te vinden in het planMER). De bescherming van deze populaties staat mogelijk op gespannen voet met de ontwikkeling van grondgebonden zonneparken. Daarom verleent de gemeente bij voorkeur medewerking aan projecten die zich buiten de aangegeven hotspots bevinden. Initiatiefnemers worden uitgedaagd een plan te ontwikkelen dat een positief effect heeft op de natuur, door bijvoorbeeld een zonnepark natuurinclusief te ontwerpen. Figuur 9. Gebieden waar veel akker- en weidevogels voorkomen. Het projectvoorstel toont aan in welke mate met de aanleg van het zonnepark positieve effecten op de natuur worden bereikt. Voor projecten binnen de in het planMER aangewezen akker- en weidevogelgebieden dient uit het projectvoorstel duidelijk te worden dat er geen belangrijke nadelige effecten voor akker- en weidevogels optreden als gevolg van het project. 5.3.6 Bodemkwaliteit De Kempengemeenten vinden het belangrijk dat de ondergrond van een zonnepark na afloop van de levensduur in de oorspronkelijke staat kan worden hersteld. Daarom moeten onomkeerbare effecten op de bodem worden voorkomen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verdroging van een deel van de bodem doordat het regenwater niet gelijkmatig wordt verspreid, ontbreken van zonlicht op de bodem, bodemverschraling, afname van bodemleven en wijziging van de bodemstructuur. Het projectvoorstel geeft aan hoe voorkomen wordt dat onomkeerbare effecten op de bodem plaatsvinden. 5.3.7Aardkundige waarde Wanneer een zonnepark beoogd is in of nabij de aardkundige waardevolle gebieden moet op worden onderzocht of er daadwerkelijk significante effecten optreden. Het projectvoorstel geeft aan of het zonnepark in of nabij aardkundige waardevolle gebieden ligt en wat de effecten hiervan zijn. 5.3.8Agrarische structuurversterking Het is belangrijk dat kansen voor agrarische structuurversterking worden benut. Voorkomen moet worden dat gunstige agrarische kavels (bijvoorbeeld grondkwaliteit, beregeningsmogelijkheden, vruchtbaarheid, kavelindeling) worden ingezet voor zonneparken terwijl minder gunstige kavels overblijven voor agrarische doeleinden. Ruilverkaveling is een van de middelen om agrarische structuurversterking te realiseren. Indien een zonnepark op agrarische grond wordt ontwikkeld, moet het projectvoorstel een onderbouwing bevatten voor de keuze van de betreffende percelen waaruit blijkt dat de agrarische structuur wordt versterkt of ten minste niet wordt aangetast. 5.3.9Draagkracht Bij de beoordeling van projectvoorstellen van zowel grote als middelgrote zonneparken houden de Kempengemeenten rekening met de draagkracht van het landschap, zoals is geanalyseerd in de landschappelijke beoordeling bij het planMER. Wanneer de draagkracht in een bepaald gebied is bereikt kunnen de Kempengemeenten er voor kiezen om in dat gebied geen nieuwe principeverzoeken in behandeling te nemen. Het projectvoorstel geeft inzicht of het zonnepark past in de gekozen plaatsings-strategie van het gebied). De (productie)omvang van de projectlocatie wordt aangeduid en beargumenteerd wordt wat de relatie is met de omgeving. 5.3.10Uitzondering voor VAB-locaties Ontwikkeling van locatiegebonden zonneparken bij VAB-locaties (Voormalige Agrarische Bedrijfsbebouwing; meestal met een oppervlak kleiner dan 2 hectare) vormt een uitzondering op de ruimtelijke strategie voor zonneparken. De Kempengemeenten kunnen medewerking verlenen aan principeverzoeken op VAB-locaties, ongeacht het lokale landschap, mits het projectvoorstel aantoont dat met de opbrengsten een positief effect voor de leefomgeving wordt verwezenlijkt (bv. sloop stal/asbestsanering/geur¬vermindering etc.). Uitgangspunt hierbij is dat het locatiegebonden zonnepark de grenzen van het bouwvlak niet overschrijdt. Bij VAB-locaties is altijd sprake van maatwerk. Het gemeentelijke VAB-beleid is leidend bij het eventueel herontwikkelen van locaties tot zonneparken. Een mogelijk nadeel van locatiegebonden zonneparken is dat een verzwaring van de elektrische aansluiting kan leiden tot hoge maatschappelijke kosten en vertraging van de ontwikkeling van netinfrastructuur elders. Om deze reden hebben locatiegebonden zonneparken waarvoor geen netverzwaring nodig is de voorkeur. Indien bij een zonnepark sprake is van een VAB-locatie, wordt dit in het projectvoorstel omschreven.

Rechtspraak bij dit artikel