Naar hoofdinhoud
Het gebruik van de in artikel 5 van de verordening bedoelde voorliggende voorzieningen wordt als volgt verder uitgewerkt: De partij die een beroep doet op Noodsteun moet door middel van de verstrekking van (i) de jaarrekeningen uit 2018 en 2019 of met de jaarrekeningen 2017, 2018 en de voorlopige jaarrekening 2019, (ii) de aangifte inkomstenbelasting uit de jaren 2018 en 2019 en (iii) de oorspronkelijke begroting 2020 (voor de crisis) en een bijgestelde begroting 2020 (na de crisis) aantonen dat zij niet in staat is om de Acute noodsituatie met eigen inkomsten of eigen middelen op te lossen. De partij dient voorts aan te tonen, bijvoorbeeld door middel van het verstrekken van correspondentie hieromtrent, dat zij geen beroep kon doen op het steunpakket van het Rijk dan wel dat de door de Rijksoverheid toegekende noodsteun niet toereikend is (geweest) om de Acute noodsituatie te verhelpen. De partij dient voorts door middel van het vertrekken van correspondentie dan wel een verklaring van de bank aan te tonen dat de bank niet, niet tijdig of tegen verzwaarde voorwaarden (te beoordelen door de gemeente) niet bereid is (geweest) om financiering te verstrekken. Noodsteun wordt niet verstrekt, indien uit de beoordeling van de gegevens blijkt dat de partij die een beroep doet op de Noodsteun voor de corona crisis al in financiële moeilijkheden verkeerde; of de partij, ondanks de steun, naar verwachting niet binnen een redelijk termijn zelfstandig (zonder steun) kan blijven voortbestaan.

Rechtspraak bij dit artikel