Naar hoofdinhoud
1. . De regeling kan worden gewijzigd bij daartoe strekkende besluiten van de besturen van twee derde van het aantal deelnemende gemeenten, met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 van de wet. 2. . Zowel het algemeen bestuur als elke deelnemende gemeente is bevoegd een wijziging in de regeling aan de besturen van de deelnemende gemeenten in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. 3. . Het college dient het voorstel, zoals bedoeld in het tweede lid, in bij het algemeen bestuur, waarna het algemeen bestuur het voorstel vaststelt. 4. . Het dagelijks bestuur zendt het door het algemeen bestuur vastgestelde voorstel ter besluitvorming toe aan de colleges van de deelnemende gemeenten, nadat de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen bij de colleges van burgemeester en wethouders over het ontwerp van de gewijzigde regeling. 5. . De colleges van de deelnemende gemeenten nemen een besluit op het voorstel na toestemming van de raden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van de wet, en zenden een afschrift van het collegebesluit inclusief de toestemming van de raden aan de GGD. 6. . Indien van twee derde van het aantal deelnemende gemeenten een instemmend besluit is ontvangen, is de wijziging getroffen en zal het algemeen bestuur dit in zijn eerstvolgende vergadering bevestigen. 7. . Het dagelijks bestuur stelt daarna de colleges en raden zo spoedig mogelijk in kennis van de tot stand gekomen wijziging.

Rechtspraak bij dit artikel