Volgens de al meermalen genoemde vaste jurisprudentie heeft een bevoegd gezag in principe de beginselplicht om te handhaven in het geval van overtredingen van wet- en regelgeving. Gedogen is het niet optreden tegen overtredingen door een orgaan dat tot zodanig optreden juridisch gezien bevoegd is. Er wordt in dat geval bewust afgezien van het sanctioneren van overtredingen. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd om van handhavend optreden af te zien. Dat kan zich zoals gezegd voordoen wanneer sprake is van concreet zicht op legalisatie of wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
Ondanks dat het uitgangspunt is om handhavend op te treden tegen overtredingen, zijn er situaties denkbaar waarvoor een gedoogconstructie zich leent. Zo kan bijvoorbeeld met (niet al dan niet concreet) zicht op legalisatie ervoor gekozen worden tijdelijk de illegale situatie te laten voortduren en eerst het legalisatieonderzoek af te wachten voordat er handhavend wordt opgetreden. Het motto vanuit de preventie is: ‘handhaven is goed, maar preventie is beter’. Wanneer toezicht echter tot handhaving leidt is daadwerkelijk handhaven de regel en gedogen de uitzondering.
Echter, er kunnen zich altijd bijzondere situaties voordoen. De praktijk is weerbarstig en zit vaak vol met onverwachte verrassingen. Er zijn situaties denkbaar waarbij een uitzondering verantwoord is en het inzetten van een handhavingstraject niet in alle redelijkheid kan plaatsvinden. Er zijn dan twee opties denkbaar, namelijk gedogen of afzien van handhaving:
afzien van handhaving: deze optie volgt wanneer uit de belangenafweging is gebleken dat handhaven zo onevenredig zwaar de belangen van de overtreder schaadt in verhouding tot het te beschermen (algemeen) belang, dat handhaven redelijkerwijs niet aan de orde kan zijn. Indien wordt afgezien van handhaving wordt dit kenbaar gemaakt aan de overtreder middels een brief, die tevens in het (digitale) dossier wordt opgeslagen;
gedogen: deze optie is aan de orde wanneer het belang van de overtreder (tijdelijk) zwaarder weegt dan het te beschermen algemeen belang. Hieronder kan ook het voorkomen van ongewenste precedentwerking vallen. Bij het gedogen van een overtreding wordt tijdelijk niet handhavend opgetreden. Anders dan afzien van handhaving is het kenmerk van gedogen dus dat er slechts tijdelijk niet wordt gehandhaafd. Indien wordt gedoogd, wordt dit vastgelegd middels een gedoogbeschikking.
De gemeente Woudenberg hanteert echter geen gedoogbeleid en zal in de regel dan ook geen gedoogbeschikkingen nemen. Wat wel kan voorkomen is dat de gemeente de strijdigheid/overtreding laat voortduren in afwachting van een legalisatieonderzoek. Dit onderzoek tot legalisatie wordt veelal ingediend in de vorm van een principeverzoek. Voor de afhandeling van een principeverzoek geldt geen wettelijke termijn, maar een termijn van orde van acht weken. Het komt voor dat deze termijn van orde niet wordt gehaald. Het gevolg is dat een handhavingszaak (en dus de overtreding) langere tijd blijft voortduren. Zolang het legalisatieonderzoek nog loopt wordt verder handhavend optreden als onevenredig beschouwt tot er een antwoord is gegeven op de legalisatievraag.
Het uitgangspunt om tijdelijk niet op te treden tegen een overtreding, is dat er sprake moet zijn van een uitzonderlijk karakter en er voldaan wordt aan één of (liefst) meerdere van de volgende voorwaarden:
de te gedogen activiteit is verantwoord uit het oogpunt van bescherming van de fysieke leefomgeving, hier kunnen eventueel tijdelijk extra voorwaarden aan gesteld worden;
er wordt pas gedoogd als zicht bestaat op legalisatie van de te gedogen activiteit;
indien vooruitlopend op besluitvorming rond vergunningverlening wordt gedoogd, is een volledig en ontvankelijk principeverzoek of vergunningaanvraag ingediend;
er dient sprake te zijn van bijzondere omstandigheden die tijdelijk gedogen in het concrete geval rechtvaardigen.
Hoofdstuk 8.
Artikel 8.5.